Volmaakte rust

Siegfried Lenz neemt het vaak op voor de zwakkeren in de samenleving. Dat blijkt ook uit een recent vertaalde kleine roman, waarin het vooral draait om medemenselijkheid.

Tekening Paul van der Steen

In de eregalerij van de naoorlogse Duitse literatuur kun je Siegfried Lenz (1926) makkelijk naast Heinrich Böll en Günter Grass plaatsen. Alle drie vochten ze als jonge mannen in het Duitse leger – Böll bij de Wehrmacht, Grass bij de Waffen-SS, Lenz bij de Kriegsmarine – en alle drie hebben ze hun oorlogservaringen in literatuur gegoten. Leverde dat bij Grass de burleske roman Die Blechtrommel (1959) op, bij Lenz leidde het tot Deutschstunde (1968), een magnifieke roman over verraad en plichtsbesef in het eenzame kustlandschap van Noord-Duitsland. Sombere luchten, dreigende meeuwen, een onstuimige zee, verlaten velden, stugge boeren en vissers – kortom, een gesloten wereld waarin de naziterreur tot een microgebeurtenis verschrompelt. In Deutschstunde (in het Nederlands vertaald als Duitse les) gebeurt weinig, maar dat weinige maakt zo’n diepe indruk op je dat je niet op kunt houden met lezen.

In de pas verschenen heruitgave van zijn Een dure grap. Verhalen uit Bollerup bewijst Lenz zijn grote verteltalent aan de hand van twaalf met elkaar samenhangende verhalen over het leven in een noord-Duits dorp, waar vrijwel iedereen de achternaam Feddersen heeft. De beelden die worden opgeroepen zijn zo sterk dat je het koren welhaast ziet wiegen en de zeewind voorbij voelt trekken.

De komische verwikkelingen waarin zijn personages verzeild raken, zijn meesterlijk bedacht. Zo is het in het eerste verhaal, ‘Het doordeweekse been’, meteen raak als boer Jens Otto Dors tijdens het maaien van zijn koren een been in zijn maaimachine ziet verpulveren. Het blijkt een kunstbeen te zijn en Dors is er in het geheel niet door van slag.

Het zijn stoere en stugge lieden, de Bollerupers. Maar achter die eigenschappen gaan vaak oude vetes verborgen, die slechts door nood gedwongen terzijde worden geschoven, zoals op zee gebeurt in ‘Het onderbroken zwijgen’.

Erg geestig is het titelverhaal, waarin tijdens een drink- en kaartavondje in het café een van de boeren zijn kaart zo hard op tafel slaat dat er een tafelpoot breekt. De vrek Frietjoff Feddersen belt de dokter uit bed en meldt een gecompliceerde beenbreuk. De dokter komt opdraven, zet de tafelpoot en stuurt de vrek een forse rekening. Het lijkt van een groot Bert-Haanstragehalte, maar Lenz hanteert zijn pen zo subtiel dat het heerlijk is om te lezen.

In de recent en door Gerrit Bussink voorbeeldig vertaalde kleine roman Bureau Gevonden Voorwerpen (Fundbüro) laat Lenz zich van zijn serieuze kant zien. Hoofdpersoon is de 24-jarige Henry Neff, die geen doel in zijn leven heeft, terwijl hij zo in het chique familiebedrijf kan stappen. Via een oom met een hoge baan bij de spoorwegen belandt hij op het bureau voor gevonden voorwerpen van het Centraal Station in Hamburg.

Het verhaal speelt zich af in het Duitsland van voor de euro. De treinen rijden op tijd, maar passagiers laten er constant hun bezittingen achter, zoals het wapentuig van een messenwerper of een pop waarin 12.000 mark verstopt zit. Eenmaal op het bureau voor gevonden voorwerpen moeten ze aantonen dat zij de eigenaars van die verloren bezittingen zijn. Bij de messenwerper levert dat een hilarische scène op.

Henry’s twee naaste collega’s hebben zo hun eigenaardigheden. De vijftiger Albert Bussmann helpt bijvoorbeeld als geen ander de ‘verliezers’ bij het terugvinden van hun bezittingen en weet precies hoe hij moet vaststellen of degene die zich bij hem meldt wel of niet de rechtmatige eigenaar is.

Paula Blohm, Henry’s andere collega, is ongelukkig getrouwd met een man die buitenlandse films nasynchroniseert. Henry probeert haar te versieren, maar zij houdt hem af, terwijl ze hem tegelijkertijd steeds leuker vindt. Hierdoor maakt het speelse tussen hen beiden geleidelijk aan plaats voor een intimiteit die in liefde zou kunnen ontaarden.

Door het detective-element van het werk – de medewerkers moeten altijd eerst zelf de eigenaren van de gevonden voorwerpen zien te achterhalen – krijgt de ongeïnspireerde, maar intelligente Henry schik in zijn nieuwe baan. Zijn leven lijkt dan ook een positieve wending te nemen. Zeker als er op een dag een tas van bont bij hem wordt afgeleverd en hij na enige moeite de eigenaar daarvan weet op te sporen: doctor Fedor Lagutin, een Russische wiskundige van Basjkierse afkomst, die gastonderzoeker is aan de Technische Hogeschool.

Lagutin, die voorbeeldig Duits spreekt, is de voorkomendheid zelve. Vanaf zijn eerste kennismaking met Henry ontwikkelt zich een vriendschap tussen beide mannen. Henry stelt hem voor aan zijn zus Barbara, die al gauw verliefd op hem wordt.

Vanaf dat moment maakt de kantoorhumor plaats voor een bittere werkelijkheid. Het bureau voor gevonden voorwerpen blijkt namelijk symbool te staan voor iedereen die iets kwijt is: Henry is op zoek naar zichzelf, Paula probeert haar man terug te winnen door al zijn nasynchronisaties van positief commentaar te voorzien, een geniale professor aan de TH blijkt jarenlang op zoek te zijn geweest naar zijn zuster van wie hij aan het einde van de oorlog gescheiden is geraakt. Op die manier tilt Lenz zijn intrige naar een hoger niveau en maakt hij van een kleine roman grote literatuur, waarin hij kwesties als het uitschakelen van oudere werknemers en vreemdelingenhaat met grote medemenselijkheid behandelt.

Een belangrijke bijrol wordt gespeeld door de broer van Paula, die met zijn motorvrienden de nieuwbouwwijk waar Henry woont onveilig maakt. ’s Avonds rijden ze rondjes voor zijn flat. Ze hebben hem al een keer klemgereden, om te laten zien wie er de baas is.

Als doctor Lagutin een keer bij Henry komt eten, is de wiskundige hun volgende doelwit, vooral als de motorduivels ontdekken dat hij een buitenlander is. ‘Een Kozak, dat is een Kozak’, roepen ze, terwijl ze hem een paar stevige meppen geven. Lagutin weet te ontkomen, hoewel hij tijdens zijn vlucht gewond raakt en naar een ziekenhuis moet. Maar ondanks dat geweld blijft Henry kalm en wil hij met de motorrijders praten, ‘openhartig en alleen en rustig’. Zo wil hij erger voorkomen.

Het leven herneemt nu zijn gangetje. Tot er nieuwe donderwolken opdoemen als Bussmann op grond van zijn leeftijd van de ene op de andere dag wordt wegbezuinigd. Henry neemt het voor zijn collega op en gaat naar zijn spoorwegoom om een goed woordje voor hem te doen. Maar die buigt niet en confronteert Henry meteen met zijn gebrek aan ambitie.

Wanneer Lagutin op een feestavond van de TH, na afloop van een woeste dans met Barbara, door een keurig echtpaar in de zaal wordt geschoffeerd (‘het stinkt hier ontzettend naar geit’) en gekwetst wegloopt, laat Henry zijn passieve levenshouding voorgoed varen. Weer thuis gaat hij tot een spectaculaire actie over, met behulp van een ijshockeystick die hij aan een veiling van gevonden voorwerpen heeft overgehouden. Het leidt tot een sprankelende finale, waarin een cynische nietsnut dankzij zijn vriendschap met een vreemdeling een held wordt en innerlijke rust vindt, omdat hij eindelijk weet wat hij met zijn leven aan moet.