The Wall groots en perfect bombastisch

Roger Waters gisteravond tijdens de uitvoering van ‘The Wall’ in het Gelredome in Arnhem. Foto Robin Utrecht

Roger Waters speelt The Wall. 18/7 Gelredome, Arnhem. Herhaling 8/9 ArenA, Amsterdam.

Vijftien Arnhemse schoolkinderen zijn sinds gisteren de gelukkige bezitters van een T-shirt met het opschrift FEAR BUILDS WALLS. In elke stad waar Roger Waters zijn magnum opus The Wall vertolkt, nodigt hij vijftien kansarme scholieren uit om mee te doen aan het bekendste nummer Another brick in the wall Part 2, de hit die in 1979 aan het dubbelalbum van Pink Floyd voorafging. Wat er precies kansarm was aan deze vijftien bleef onduidelijk, maar de strofe „we don’t need no education” kwam er overtuigend uit.

Joop van den Ende en André Rieu hadden The Wall samen niet grootser kunnen ensceneren dan Roger Waters het doet. Een neerstortend vliegtuig, metershoge opblaaspoppen en een lange muur over de hele lengte van het Gelredome maken er een enorm spektakel van, dat zijn oorsprong vond toen Waters (69) de songcyclus in 1990 opvoerde op de Potzdamer Platz in Berlijn. Waters toerde met deze duurste rockproductie ooit over de hele wereld en toonde zijn sinds 1984 gebrouilleerde bandgenoten van Pink Floyd dat hij ook nog tot iets groots in staat is. Waters, drummer Nick Mason en gitarist Dave Gilmour hebben de strijdbijl begraven sinds ze in 2005 samen speelden tijdens Live 8.

Een groot verschil met Pink Floyds oorspronkelijke podiumversie is dat de muur van witte blokken die tijdens de show wordt opgebouwd nu ten volle gebruikt kan worden voor indrukwekkende hightechprojecties. Het verhaal van een rockband die wegens megasucces vervreemdt van het publiek en fascistoïde trekken krijgt, is meer dan ooit de autobiografie van Waters zelf geworden. Zijn vader sneuvelde in 1944 als soldaat in Italië. Het trauma dat de jonge Roger opdeed dreunde door in meer van zijn werk, maar nergens zo productief als in The Wall dat oorlog ter discussie stelt en vraagt of de toegeeflijke massa schuldig is aan de machinaties van haar leiders.

Waters verbeeldt die kwestie door zelf als een dictator op te treden. Op zeker moment opent hij het vuur op zijn publiek. Het zijn de meest ongemakkelijke passages in een voorstelling die ook de leegte van het popsterrenbestaan, gratuite seks en eenzaamheid van de bejubelde performer behandelt. Meer dan ooit geeft Waters zijn persoonlijke verhaal een universele betekenis, met indrukwekkend gebruik van de beelden die kunstenaar/cartoonist Gerald Scarfe maakte bij de oorspronkelijke productie. Vooral de animatie van twee flirtende bloemen die in monsters veranderen is huiveringwekkend.

De muziek is zo groots en bombastisch als The Wall moet zijn, met een iets gladdere versie van de lyrische gitaarsolo in Comfortably numb dan Dave Gilmour kon geven. Met een soepel zingend koor en uitstekende leadzang van Robbie Wyckoff is het de symfonische monsterproductie die alle andere symfonische rock overbodig maakt, zeker wanneer de muur van witte blokken uiteindelijk instort en er een vriendelijke folkgroep op de puinhopen achterblijft. In een oogwenk verandert Roger Waters van een enge dictator in een beminnelijke bandleider. Hij speelt zijn rol met overtuiging, als de songschrijver die zijn onuitwisbare plek in de pophistorie terug eist.