Sta toch boven je lot

Vrouwen die zich door hun hartstochten laten meeslepen zorgen voor niets dan narigheid. Dat beweert Seneca in zijn opnieuw vertaalde tragedies, die uitnodigen tot reflectie over een juiste levenshouding.

De stervende Seneca, geschilderd door Peter Paul Rubens in ca. 1615 naar een buste van de Romeinse filosoof die de kunstenaar bezat. Foto Hollandse Hoogte

‘We bedenken niet hoe heerlijk het is om niets te wensen, hoe geweldig het is om vervuld te zijn en onafhankelijk van Fortuna’, schrijft Seneca in een brief aan zijn vriend Lucilius. Het is een deuntje dat de grote wijsgeer steeds weer fluit: niets is beter dan onafhankelijk te zijn van het lot, erboven te staan, je niets aan te trekken van wat het leven voor je in petto heeft, je niets aan te trekken van je mogelijke verlangens – je hebt ze eenvoudigweg niet.

De mensen hebben geen flauw idee van wat ze gelukkig maakt, vindt hij, ze jagen de verkeerde dingen na, roem, aanzien, populariteit. Of nog erger: genot, seks, drank. Of ze gaan zingen en liedjes schrijven – bah! Kappersbezoek, hij veracht het: ‘Die heren denken allemaal hetzelfde: liever chaos in de staat dan in mijn kapsel’ (vertaling van Vincent Hunink in De lengte van het leven). Etentjes geven en je zorgen maken over of het everzwijn wel goed gaar is, van Seneca hoeft het niet. Allemaal tijdverspilling. Het gaat om heel andere dingen.

Die andere dingen zijn van meer filosofische aard. Vragen over de ziel en de sterren, het lezen van grote dichters en denkers, je verstandig en eerbaar gedragen, dat levert een goed leven op. Tijdverspilling is het meeste van wat de onverstandigen najagen, levensverlengend is het om je te wenden tot de verstandigen die vóór jou tijd leefden: zo krijg je hun jaren erbij.

Lucius Annaeus Seneca, werd geboren in 4 voor Christus in Cordoba, onderdeel van het Romeinse rijk, en stierf in 65 na Christus, door zelfmoord waartoe hij gedwongen werd door keizer Nero. Hij werd beschuldigd van deelname aan een complot, maar de geschiedschrijver Tacitus meent dat Nero maar wat blij was met een aanleiding om zijn vroegere leermeester uit de weg te ruimen.

Bij die gedwongen dood liet Seneca zien wat hem zijn leven lang voor ogen had gestaan als hij sprak over ‘ars moriendi’ en het lot aanvaarden, hoe het er ook uit zou zien. Hij aanvaardde het lot dat zijn dood wilde inderdaad kalm en verzocht zijn vrienden om toch vooral niet te huilen, in overeenstemming met zijn en hun opvattingen.

Gelukkig toonde Seneca zich ook wel menselijk, Tacitus vertelt: ‘Nadat hij deze en dergelijke dingen als het ware tot het hele gezelschap had gezegd, omhelsde hij zijn vrouw en, een weinig ontroerd bij al zijn rigoureuze innerlijke zekerheid, vroeg hij haar en smeekte hij haar niet al te bedroefd te zijn en niet eeuwig te rouwen, maar het gemis van haar man te dragen door de hoogstaande troost, die zij kon putten uit de overweging van zijn deugdzaam leven.’

Voorbeeldig dit alles, voor een stoïcijn. De Stoa, de Griekse filosofische richting waar de Romein Seneca een aanhanger van was, leerde immers dat het eropaan komt om vrij te zijn van hartstochten: ‘apatheia’, gevoelloosheid, is het hoogste wat een mens bereiken kan. Dan is hij altijd content met wat hij heeft. Dat is niet bedoeld als een recept voor volstrekte onverschilligheid of passiviteit – het gaat erom dat te aanvaarden wat niet veranderd of verholpen kan worden. Maar in het echte leven gaan de dingen soms ietsje anders dan in de theorie: Seneca’s vrouw wenste beslist mét hem te sterven en Seneca, die veel van zijn vrouw hield, zo schrijft Tacitus, ‘misgunde’ haar dat niet. Het zou immers ook voor haar eervol zijn om kalm en zelfgekozen te sterven.

Voor een hedendaagse lezer klinkt dat anders. Zelfmoord plegen omdat je man sterft, vinden wij eerder van overdreven hartstocht getuigen dan van ‘apatheia’.

De vrouw van Seneca lijkt hier wel een beetje op een van de hoofdpersonen uit Seneca’s tragedies, op een Medea of een Phaedra, bepaald geen personages om een voorbeeld aan te nemen. Al is sterven uit liefde voor de wettige echtgenoot natuurlijk iets heel anders dan zelfmoord plegen nadat zondige hartstocht voor een stiefzoon iedereen in het verderf heeft gestort, zoals Phaedra doet.

Drie van Seneca’s tragedies (Medea, Phaedra en Trojaanse vrouwen) zijn nu opnieuw vertaald door classicus Piet Schrijvers, als het begin van een mooi project van de Historische Uitgeverij om al Seneca’s tragedies, en de stukken die aan hem worden toegeschreven, te vertalen.

Je zou wellicht denken dat Seneca in zijn toneelstukken de mensen zou laten zien hoe er geleefd hoort te worden: waardig, rechtvaardig, deugdzaam en redelijk. Het tegendeel is het geval. In zijn tragedies is iedereen door het dolle, men liegt en bedriegt en moordt erop los en anders dan bij Seneca’s Griekse voorbeelden vloeit er veel bloed op het toneel: Medea doodt haar kinderen voor Jasons ogen en die van het publiek, Phaedra slaat in ieders aanwezigheid de hand aan zichzelf.

Voor het publiek in Seneca’s tijd was dat alles wellicht klein bier, in het Colosseum gebeurden wel andere dingen. Schrijvers citeert in een van zijn verhelderende en geleerde inleidingen op de stukken de dichter Martialis die tevreden vertelt dat je in het Colosseum maar mooi kunt zien dat de mythen op waarheid moeten berusten: ‘Geloof maar dat Pasiphaë met de stier van Kreta gepaard heeft:/ het aloude verhaal werd vóór onze ogen bewezen’.

Seneca’s personages zijn nogal eens bevangen door razernij, een emotie die volgens Schrijvers in de oudheid ‘de ranglijst van meest besproken gemoedsaandoeningen’ aanvoerde. Medea is razend vanaf het eerste ogenblik dat we haar te zien krijgen en vastbesloten zich met niet kinderachtige vergeldingsacties te wreken op de trouweloosheid van haar echtgenoot Jason.

Jason moet, min of meer onder dwang, een Griekse prinses trouwen en zijn vrouw Medea, een gevreesde tovenares uit een ver land, wegsturen. Maar een Medea laat zich niet wegsturen. Destijds heeft ze, om Jason te helpen, haar eigen broer aan stukken gesneden en in zee gestrooid voor de ogen van haar vader, die op die manier niet langer zijn dochter kon achtervolgen maar het lichaam van zijn zoon bijeen moest rapen.

Nu vindt Medea dat kinderwerk, ‘dit deed ik als jong meisje’. Bij haar huidige status van moeder passen ‘grotere misdaden’. Vanaf de openingsscène is zo al duidelijk dat Medea niets goeds van plan is en aangezien het publiek toen en nu wist wat ze zou gaan doen, namelijk haar zonen ombrengen, is het in Seneca’s versie zo goed als onmogelijk enige sympathie voor haar te voelen. Toch al niet makkelijk, Medea is in elke versie een volstrekte hysterica, maar bij Euripides voel je ook wel iets van haar wanhoop om het lot dat haar treft.

Seneca houdt niet zo van wanhoop om het lot. Het lot moet men dragen en vrouwen die zich door hun hartstochten laten meeslepen zorgen voor niets dan narigheid. Hij geeft zijn personages uitdrukkelijk de kans om redelijk te zijn, door ze een soort ‘twijfelmonologen’ in de mond te leggen waarin ze zich afvragen of ze wel op de goede weg zijn – zo zegt Medea ‘wat kon Jason doen, onderworpen als hij was aan vreemd gezag?’ En ook Pheadra twijfelt als ze haar stiefzoon wil gaan verleiden: ‘Ik wil niet wat ik wil’.

Op zulke momenten wordt het publiek als het ware uitgenodigd om de eigen redelijkheid en de mogelijkheid tot gematigdheid in zich op te roepen en het gedrag van de bandeloze dames daar op het toneel af te keuren. Onbeheerste mannen komen er trouwens evenmin goed vanaf. Theseus, die zijn zoon Hippolytus vreselijk heeft laten straffen, lijdt vervolgens onder wat hij gedaan heeft, waarbij een bode filosofisch opmerkt: ‘Niemand kan terecht bewenen wat hij heeft gewenst.’

Dan had je dat maar niet moeten wensen, Theseus. Dan had je je maar moeten beheersen.

Zo zijn er steeds filosofische momenten in al het geweld. In de tragedie Trojaanse vrouwen, wordt een jongetje van de muren van Troje gegooid en een jonge vrouw geëxecuteerd op het graf van een Griekse held, eigenlijk zomaar, uit overwinnaarswreedheid. De Griekse legeraanvoerder Agamemnon laat daar een tegengeluid horen en zegt: ‘Wie veel mag doen, behoort niet veel te willen doen.’ Beheersing!

Een ander filosofisch punt gaat over het leven na de dood. De schim van Achilles zou eisen dat het meisje Polyxena op zijn graf geofferd wordt. Seneca grijpt die eis aan om iets te zeggen over het leven na de dood. ‘Na de dood is er niets’, zegt het koor: ‘Vraag je waar jij na je dood zult liggen?/ Waar ongeborenen liggen.’

Deze grote drama’s roepen zodoende eerder op tot reflectie over de juiste levenshouding, dan tot medeleven met de personages, wat geheel consistent lijkt met de opvattingen van Seneca. Wie tranen stort als bij Euripides Hekabe afscheid neemt van haar dochter (en wie zou daar niet huilen?), kan vol literaire bewondering maar met droge ogen Seneca lezen die de moeder woedend laat razen als haar dochter wordt opgehaald.

Bij Seneca treft een andere observatie: hoe het publiek toestroomt om naar de dood van Polyxena te kijken ook al keuren ze de executie af. ‘De meesten, onnadenkend, verfoeien de dood en kijken!’

Het gold vast voor zijn eigen tijd. Maar, hoewel wij geen dodelijke spelen houden, wellicht toch ook voor de onze, met onze vele vensters op de gruwelijkheden van de wereld die we in eigen huiskamer huiverend maar gretig gade slaan.