Kraslotzinnen over een dode fotograaf

Natalie Koch: De sterren stil. Querido, 334 blz. € 19,95

Door omstandigheden ben ik twee keer opnieuw begonnen in De sterren stil, de tweede roman van Natalie Koch. Ook de tweede keer kostte het moeite om erin door te dringen. Het is een verhaal over een fotograaf die niet terugkeert van zijn laatste reportage.

Eerste zin: ‘Soms denk ik, hij is alleen maar op reis.’ Wat is er aan de hand? Is die ‘hij’ vermist, ontvoerd, omgekomen? En wie is die ‘ik’?

Praktische details blijven nog vele bladzijden achterwege. Dat bevordert het lekker doorlezen niet. Wel krijgen we alvast enkele aforistische uitspraken te lezen. Over de tijd: ‘De tijd rent terwijl ze stilstaat.’ En over leegte: ‘Leegte is vrijheid die te lang op de plank heeft gelegen en nu smaakt naar bederf.’ Als je leegte, vrijheid en bederf omwisselt, is het ook waar. Had dat begin niet wat vlotter gekund?

Net als in Streken (2006), de debuutroman van Natalie Koch over oude en jongere cellisten, draait het in dit boek om iemand die node wordt gemist. De vroege dood van fotograaf Dennis is met raadsels omgeven. Was het een ongeluk? Een noodlottige samenloop van omstandigheden? Of zelfmoord?

Om en om, in afwisselende hoofdstukken, komen zijn beste vriend, George, en zijn tienjarige dochter Noortje aan het woord. Zij proberen allebei op hun eigen manier te achterhalen wie Dennis nu eigenlijk was, waarom hij zo jong moest sterven, en hoe ze verder moeten met hun leven. Noortje klinkt het meest vastbesloten: ‘Ik ga hem te weten komen.’

De hoofdstukken met Noortje zijn een stuk levendiger en interessanter dan die waarin de veertigjarige neerlandicus George zijn tobberige licht laat schijnen over het korte leven van zijn vriend. Terwijl Noortje de sterrenwacht bezoekt, montere dagboekaantekeningen bijhoudt en mooie woorden verzamelt, zoals ‘eigengereid’, ‘ongebreideld’ en ‘ongeveinsd’, legt hij zich toe op het schrijven van zinnen ‘als krasloten’: hij is uit op woorden ‘waar je aan wilt krabben om te zien wat er onder zit.’ Hij wil een verhaal maken van de lotgevallen van zijn vriend. ‘Geredigeerd en van betekenis voorzien.’ Maar hij moet uiteindelijk vaststellen dat Dennis, nadat hij in een wervelstorm belandde, toch eigenlijk vrij normaal gestorven is.

Die krasloterige zinnen zie je door de hele roman terug: ingewikkelde redeneringen, veel algemeenheden en een neiging om alles net iets te mooi te willen zeggen. Zo nam Dennis een foto: ‘Dan groeide zijn concentratie tot er een besmettelijke rust uit zijn poriën stroomde en hij samensmolt met zijn onderwerp.’ En wat fotografeerde hij zoal?

Hij was begaan, lezen we, met gewone mensen. Hij portretteerde arbeiders, boeren, straatmuzikanten en kruideniers die stand probeerden te houden tegen supermarktketens.

Het is jammer dat we dat gewone leven, dat straatrumoer, die open blik naar buiten, nauwelijks terugzien in deze roman. George kijkt vooral naar binnen, naar zijn eigen niet altijd even heldere gedachten. En Noortje richt haar kinderblik graag naar de hemel, waar stille sterren flonkeren.

Die eeuwenoude sterren maken ons, kleine mensjes met beperkte levensduur, nog maar eens duidelijk dat we ons meestal onnodig druk maken en dat er niets te verklaren valt. ‘Alleen maar wind. Geen verhaal. Geen boodschap.’ Hadden we daar een boek van 334 bladzijden voor nodig?