Ik hou van mensen, ze horen bij de natuur

Boswachter Frans Kapteijns is natuurbeschermer, zonder belerend vingertje. „Ik wil kinderen laten rollen in de bladeren. Ik wil mijn liefde voor de natuur delen.”

„Ik ga graag een uurtje tegen een boom aan zitten als ik een wandeling uitzet. Dan zuig ik alle energie naar binnen die er hangt.” Foto Lars van den Brink

Frans Kapteijns (60) is misschien wel de bekendste boswachter van Nederland. Maandelijks schuift hij aan bij radioprogramma Dit Is De Dag en televisieprogramma KoffieMax. Wekelijks heeft hij een radiocolumn op Omroep Brabant. Dagelijks twittert hij naar ruim 6.000 volgers en hij blogt.

Hij informeert. „De duizendpoot heeft dertig poten”, of: „Hoefblad wordt ook wel Allemansverdriet genoemd omdat het lastig uit de tuin weg te krijgen is.”

Hij jubelt. Over een nieuwe natuurbrug, het geluid van de nachtegaal, de schoonheid van de slak.

Soms haalt hij uit. „De internetveiling van 128 hectare natuur in de omgeving van Daarle, Overijssel, is begonnen. Onvoorstelbaar. Dit Bleke-riaanse uitvloeisel is het kabinet-Rutte II vergeten uit te wissen.”

Op zijn zevende al wist hij dat hij boswachter wilde worden. Maar na de middelbare school werd hij naar de landbouwschool gestuurd. Daarna moest hij in dienst. Via de PTT, De Kleine Aarde, een vredescomité en de Wereldwinkel kwam hij op zijn veertigste terecht bij Natuurmonumenten. „De rode draad in mijn leven is dat ik wil laten zien dat het beter kan. Zonder belerend vingertje.”

„Als je van de natuur houdt, kun je van mensen leren houden. Tot mijn zevende woonde ik buiten, tussen akkers en koeien. Met opa lag ik aan de slootkant omhoog te kijken naar leeuweriken en te luisteren naar hun gezang. Ik hield als vanzelf van de natuur.

„Voor mijn vaders werk verhuisden we naar een rijtjeshuis in Vught. Ik schrok me rot toen ik het zag. Al die huizen aan elkaar geplakt. Al die mensen dicht op elkaar. Lange tijd bleef ik wat mensenschuw.

„Pas toen ik dienst zat, veranderde dat. Ik mocht de pelotonbar coördineren omdat ik weigerde te schieten. Aan de toog ving ik jongens op van wie de meisjes het in het weekend hadden uitgemaakt. Ik zorgde voor rustige muziek als de jongens vermoeid terugkwamen van een oefening en voor wilde muziek als het feest was. Ik verving het vetpan-ontbijt door gezonde broodjes. Toen begreep ik dat mensen sociale dieren zijn die elkaar nodig hebben. Dat ze onderdeel zijn van de natuur en dat ik daarom van ze houd.”

„In jouw besloten wereld maak je dromen waar. Mijn moeder was hoofd huishouding bij familie De Gruyter, de grote kruidenier. Regelmatig nam ze mijn zus en mij mee. Als de familie thuis was, was de strijkkamer ons domein. Anders dwaalden wij door het landhuis of over het landgoed. In die mooie beschermde wereld beleefden we fantastische avonturen. We vonden een deur in een kast die naar een gangetje leidde. We waren we jagers, tovenaars, boswachters.

„Later ging ik werken bij De Kleine Aarde, een organisatie die van alles deed om de natuur te ontlasten. We kochten ecologische, biologische en macrobiotische producten in en transporteerden die naar natuurwinkels in het hele land. Ik onderhandelde met een bedrijf in Amerika over de prijs van biologische tarwe. Een ander laadde de karretjes in de vrachtwagen. Maar we waren allemaal evenveel waard. We hadden arbeiderszelfbestuur en waren alle zeven directeur.

„We moesten niets hebben van de wereld met wapens en vieze producten. Wij wilden laten zien dat in onze wereld iedereen gelijk was en duurzaam geld werd verdiend. Dat het zo ook kon. Samen stonden we aan de wieg van het EKO keurmerk.”

„Soms moet je even flink vloeken. Vroeger aten wij thuis met zijn vieren aan tafel in een klein keukentje. Soms ging er iets mis – dat kon iets kleins zijn, zoals ruzie over de afwas. Dan ontploften we. Een uur later zaten we gezellig samen te kaarten.

Het is nodig af en toe te vlammen, te ontladen. Het is niet erg als je daarbij krachttermen gebruikt. Bij De Kleine Aarde werkten we zo hard dat er op de werkvloer niet altijd tijd was om frustraties te uiten. Daarom organiseerden we soms een vloekweekend. Op vrijdagavond ging het er hard aan toe. De maandag daarop pakten we de wereld weer met frisse moed aan.

„Mijn vrouw moest wel wennen aan mijn gescheld. Dan bleef ze oeverloos doorpraten over dat ene scheldwoord. Daardoor sneeuwde de reden van mijn woede onder. Dat vond ik raar. Nu blaast ze terug. Dat is fijn. Frustraties meteen bevechten zodat je ze kwijt bent, is wel iets wat je samen moet doen.”

„Indianenopperhoofd Seattle was een wijs man. Hij hield in 1855 een toespraak waarin hij reageerde op het voorstel van de Amerikaanse president om land van zijn stam te kopen. Hij zei: ‘Hoe kun je de lucht, de warmte van het land verkopen? Wij weten dat de blanke man onze manier van leven niet begrijpt. Voor hem is het ene stuk grond gelijk aan het andere.’ Dat heb ik altijd inspirerend gevonden. De westerse mens denkt dat hij alles maar kan bepalen, zonder zich te realiseren hoe afhankelijk hij is van zijn omgeving.”

„Je wilt datgene beschermen waarvan je houdt. De eerste keer dat ik in het bezoekerscentrum van Natuurmonumenten in Oisterwijk was, kwam er een kindje met vuurrode konen binnen. ‘Ik heb een specht gezien’, zei het enthousiast tegen de balieassistent. Die begon over zure regen en verdwijnende bossen. Ik dacht: ‘Dat kun je niet maken. Dat moet anders.’

„Ik geloof dat het de kunst is mensen liefde te laten voelen voor de natuur. Dan willen ze die vanzelf behouden. En dat is het doel. Ik wil kinderen laten rollen in de bladeren of een pier uit de grond zien stampen. Ik wil mijn liefde voor de natuur delen.”

„In het bos vind je rust en energie. Als ik in de bossen ben, raak ik altijd wel even een boom aan. Ik ben geen prinses Irene, maar ik voel wel dat er leven in zit. Ik ga graag een uurtje tegen een boom aan zitten als ik een wandeling uitzet. Dan zuig ik alle energie naar binnen die er hangt.

„Soms ga ik in de regen het bos in, samen met de natuur ben ik dan triest. Even laat ik me dan helemaal gaan in die droefheid. Als ik het bos uiteindelijk weer uitwandel, denk ik: ‘Nou zo erg is het toch allemaal ook weer niet.’ Daarna kan ik er weer tegenaan.”

„Ouderen moeten plaats maken voor de jeugd. Ik vind mijn werk geweldig, maar ga op mijn 65ste echt met pensioen. Dat is goed voor de organisatie. Iedereen heeft het altijd over het belang van ervaring, maar een frisse kijk is ook veel waard.

„Ik besloot ooit voor een tentoonstelling over heide een jonge kunstenares te vragen. Ze bedacht een bankje waarop mensen konden gaan zitten. Rechts ervan stond een eik, links een berk. De twee bomen praatten met elkaar. Ze legden uit waarom een boswachter soms bomen omhakt. Mensen hebben het nu nog over dat bankje. Zoiets had onze vaste, ervaren tentoonstellingsbouwer nooit bedacht.”

„Het komt goed met de wereld. Pessimisten zeggen dat we de wereld naar de klote helpen. Het is inderdaad vijf voor twaalf, maar ik geloof dat het nog goed komt. Mensen zijn goed en daarom verstandig genoeg om samen het tij te keren. We telen en eten al steeds meer biologisch voedsel. Organisaties werken steeds duurzamer. Ik ben een zware optimist en denk dat we naar zes voor twaalf gaan.”