Ieder afspraakje heet nu een ‘akkoord’

De vele akkoorden van het kabinet zijn indirect een gevolg van druk van de Eerste Kamer. Wat ze waard zijn, moet in het najaar blijken.

Triomfantelijk presenteerde minister Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) begin deze week een zorgakkoord dat zij had gesloten met ziekenhuizen, artsen en verzekeraars. In dat akkoord is afgesproken dat de zorg in ziekenhuizen en instellingen voor geestelijke gezondheidszorg mag blijven groeien, maar beperkt. En minder dan in het regeerakkoord was afgesproken.

Het levert een structurele besparing van 1 miljard euro op – essentieel in economisch magere tijden. In één klap een financieel succes voor het geplaagde kabinet én maatschappelijk draagvlak voor politieke plannen. Maar wacht eens even: een zorgakkoord? We hadden toch al een zorgakkoord?

Klopt, Schippers presenteerde in april ook al een deal op haar terrein, samen met staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA). Toen bereikten de bewindspersonen een overeenkomst met vakbonden en werkgevers. Het kabinet had gedreigd met een nullijn, drastische kortingen in de langdurige zorg en dito banenverlies. Dat wisten de bonden bij te stellen naar loonmatiging in ruil voor het behoud van tienduizenden banen in de thuiszorg. Volgens het kabinet zonder financiële gevolgen voor de staatskas, maar de oppositie zet daar vraagtekens bij.

Het kabinet grossiert inmiddels in akkoorden met politieke of maatschappelijke partners. Elk akkoord gooit in meer of mindere mate de overheidsfinanciën overhoop. Of het nu gaat om een woonakkoord met oppositiepartijen of een sociaal akkoord met ‘de polder’.

Het lijken vrijwillige bijstellingen van het regeerakkoord, maar de akkoorden komen tot stand onder indirecte druk van de Eerste Kamer. Niet dat senatoren openlijk verzet aantekenen, maar de oppositie heeft daar de meerderheid. En in de regel stemmen Eerste Kamerleden hetzelfde als hun partijgenoten aan de overkant van het Binnenhof in de Tweede Kamer. Zonder steun van ten minste acht extra senatoren komt er niets terecht van de hervormingen die het kabinet-Rutte II voor ogen heeft. En dus moet het kabinet al in de Tweede Kamer steun zoeken bij de oppositie.

Het eerste akkoord, het woonakkoord, sloot het kabinet met de oppositiepartijen D66, ChristenUnie en SGP. Het kabinet kreeg de hervormingen die het wilde, maar wel in een lagere versnelling. De huren stegen minder sterk, de belasting voor verhuurders ging omlaag en er kwam extra geld voor verduurzaming en een verlaging van de btw. Kosten: bijna 300 miljoen per jaar.

Sinds dat akkoord is het kabinet er niet meer in geslaagd de oppositie direct te overtuigen. Op wat kleine afspraken na, bijvoorbeeld over de CITO-toets en de vermogenstoets voor mensen die zorg nodig hebben. In deze politieke omstandigheden krijgen zelfs zulke kleine afspraken het stempel van een akkoord.

Vorige maand strandde een poging van het kabinet met D66 en GroenLinks een deal te maken op het gebied van onderwijs en het woud aan regelingen voor mensen met kinderen. De oppositiepartijen waren ontevreden met wat zij kregen in ruil voor hun steun. En het woonakkoord is voor D66, ChristenUnie en SGP ook geen onverdeeld genoegen gebleken. Ze kregen veel kritiek voor het steunen van impopulair kabinetsbeleid. En ze kunnen zelfs niet rekenen op coalitiepartij PvdA. Die partij dreigt in de Eerste Kamer dwars te liggen bij de plannen voor de huurmarkt.

Vervolgens passeerden verschillende akkoorden met gesprekspartners buiten de politiek de revue. Een sociaal akkoord, een zorgakkoord, een energieakkoord en nu opnieuw een zorgakkoord. Of de buitenparlementaire akkoorden voldoende zijn om de oppositie mee te krijgen is nog de vraag. Het idee achter die tactiek is dat een partij als het CDA zich toch niet zal verzetten tegen plannen waar werkgevers en werknemers achter staan. Maar de praktijk blijkt weerbarstiger. Voor het sociaal akkoord „tekent het CDA niet bij het kruisje”, zegt partijleider Sybrand van Haersma Buma. Dat bleek wel bij het eerste onderdeel uit dat akkoord, de pensioenplannen, dat in de Kamer behandeld werd. Geen enkele oppositiepartij stemde voor. De grote test van het najaar is wat de Eerste Kamer daarmee gaat doen.

Alle akkoorden leggen niet alleen druk op de relatie met de oppositie, maar ook op de partijen in het kabinet zelf. Na de ‘uitruilformatie’ tussen Mark Rutte en Diederik Samsom is bij elke wijziging van regeringsbeleid immers de vraag in wiens voordeel de bijstelling is. Omdat de akkoorden de maatregelen uit het regeerakkoord meestal verzachten, wordt dat uitgelegd als winst voor de PvdA. Al had die nog wel wat tegoed na de geste van vorig jaar, toen de inkomensafhankelijke zorgpremie op verzoek van de VVD al snel na het aantreden van het kabinet werd geschrapt. Toen was er geen nieuw akkoord nodig om het regeerakkoord bij te stellen.