Column

Hoe sluit Draghi de eerste stroppenbank ?

Mario Draghi, de machtige president van de Europese Centrale Bank in Frankfurt, kijkt op zijn horloge. Al na vijven. Nog één telefoontje. Dan diner à deux. ’t Is haar verjaardag.

De rode knop licht op. Interne lijn. Alexandra, het Franse hoofd bankentoezicht. „President, we zijn bijna klaar met de controle van Banco Blanco, die Spaanse spaarbank bovenaan onze probleemlijst. De verliezen op vastgoedleningen overtreffen het vermogen. De jongens in de dealingroom zien dat de financiële markten ook hun vertrouwen verliezen. Ik adviseer actie.”

„Goed, stuur me je bevindingen, asap. Alarmeer de gebruikelijke partijen. Zet de teleconferentie op voor de saneringsraad van probleembanken waar de Europese regeringsleiders het op 10 juli 2013 over eens zijn geworden. Dit wordt de eerste sessie. We zitten zelf in die raad, de Europese Commissie en relevante nationale controleurs. Dat is in dit geval Spanje, Portugal en Italië. Zullen we eens testen hoe die saneringsraad werkt. Wie niet aan de lijn komt, telt als ja-stem. En informeer onze liquidators. Zij moeten ter plekke zijn om Blanco te sluiten.”

Vanuit een ooghoek ziet Draghi zijn assistente zwaaien. Spanje aan de lijn, sist ze. Premier Rajoy.

„Mariano, wat een genoegen. Ik...”, begint Draghi. De andere kant van de lijn borrelt van opwinding. „Wat zeg je? Ja, Mariano, we gaan Blanco sluiten... Want? Oh, de broer van je minister van Economie heeft daar zijn miljardenkredieten voor zijn bouwbedrijf. Ah, hij is ook een gulle gever aan de partijkas. Tja, herkenbaar. Oh, je partij heeft bij Blanco grote deposito’s belegd. Je wilt als crediteur niet bloeden... Weet je Mariano, soms zit ‘t mee, soms niet. Blanco is insolvabel. Het is over en sluiten.”

Draghi’s rode mobieltje springt op en neer. De hotline. Hij kijkt op het schermpje. Eurogroep-voorzitter Dijsselbloem. „Ha Zjeroen. Ja, we gaan die Spaanse spaarbank sluiten. Wat...? Oh, je Spaanse collega heeft al gebeld. Die wil niet dat... Maar jij steunt ons toch wel, bondgenoot? Oké. We praten later.”

Zijn telefoons zijn nu kerstbomen. Overal lichtjes. Zijn andere assistente gilt: „De Europese Commissie. Barroso zelf.”

„Ah, José Manuel. Gefeliciteerd. Je bent de eerste die inbelt voor de saneringsraad. Dit wordt historisch. Een overwinning voor Europa. Voor onze bankenunie. Geen betere dag om een bank te sluiten dan vrijdag. Wat? Je bent slecht te verstaan... Slecht voor vertrouwen? Slecht voor economie? Je werkt niet mee? Dat wordt crisis op de markten maandag, dat snap je toch... Blijf even hangen. Dringend ander telefoontje.”

Het is Jan-Erik. De Finse chef van de liquidators. „President, ik sta voor Banco Blanco. De politie heeft de ingang afgegrendeld. We kunnen er niet in. Ik zie een demonstratie naderen. Een vakbond. Deze bank blijft open, staat op het spandoek. Dit wordt lastig. Wat is de geweldinstructie om binnen te komen?”

„Blijf op je post, Jan-Erik, maar hou je gedeisd. Ik kom zelf.”

Draghi zwaait naar een medewerker. „Vind Schaüble.”

De Duitse minister van Financiën hoort Draghi aan en zegt:

da’s Chefsache. Ik geef je Angela. Frau Chancellor, zegt Draghi, voordat Merkel hem onderbreekt. „De ECB is onafhankelijk, dus ik doe geen uitspraak over het beleid. Je hebt snel vervoer nodig naar Madrid? Onze F-16’s zijn in de revisie. Dat is staatsgeheim. Ik kan je wel iets aanbieden, maar weet je ’t zeker? Jij als Italiaan. In een Duits vliegtuig. Madrid...? Het is een omgebouwde lange afstandsbommenwerper.”

„Done”, zegt Draghi. „Ik heb beloofd dat ik alles zal doen om de euro te redden. Dit kan er wel bij. Nog één gunst. Kan iemand voor broodjes aan boord zorgen? Ik rammel van de honger.”

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.