‘Geef ruimte aan de nuance’

De gebrekkige kennis over het lot van de Joden in WO II bepaalde het gedrag van niet-Joodse Nederlanders, beweerde Bart van der Boom vorige week in een interview in Boeken. Dit riep vele reacties op.

Historicus Bart van der Boom Foto Andreas Terlaak

Goed en fout

In het interview met historicus Bart van der Boom (‘Doe het niet, zou je willen schreeuwen’, Boeken 12.7.2013) over zijn boek Wij weten niets van hun lot typeert deze de heftige aanvallen op zijn bevindingen en op zijn persoon vooral als onjuiste, morele oordelen. Dat is een te milde typering. Ook herdenkingen van slachtoffers van WO II en van de koloniale slavernij schieten – bij alle verschillen – zowel aan inhoud als aan diepgang tekort daar waar een verbod op elke vorm van nuancering gehandhaafd blijft.

Harry Mulisch wees al eens op de talrijke ‘verschillende oorlogen’, zoals die door verschillende mensen zijn beleefd. Ik voeg daaraan toe dat dit ook geldt voor de verschillende manieren waarop op de gebeurtenissen wordt teruggekeken. En dát is goed voor massale en schier eindeloze polemieken.

Geboren in 1936 herken ik mij steeds minder in een voorstelling van zaken door anderen van een verleden waarvan ik zelf deel uitmaakte. Dat bracht mij ertoe verslag te doen ‘uit de eerste hand’ (Veilige Afstand, de geschiedenis van oorlogsherinneringen, 2010). Maar ook wie de overlevering wil opschonen met behulp van zijn persoonlijke geschiedenis stuit op vragen over inhoud en samenstelling en daarmee twijfels over het waarheidsgehalte. De belemmering en vertekening van geheugen en overlevering leveren vragen op zowel over de aanspraken op authenticiteit en representativiteit zowel van mijn eigen en andermans herinneringen als van de zogenaamde ‘collectieve herinnering’. Zij manen tot relativering en bescheidenheid bij de disputen over het verleden. Zo is mij uit het alledaagse bestaan in de periode tot 1945 en de tien jaar daarna niets bijgebleven van een alles overheersend gevoel (bijvoorbeeld van slachtofferschap) en één dominant oordeel (wit, zwart, of grijs) – of het moest een hartstochtelijk verlangen zijn naar de dag dat alles weer ‘gewoon’ zou worden.

De geschiedschrijving is niet langer ‘in de ban van goed en fout’, meende de historicus J.C.H. Blom al in 1983. Toch stuiten auteurs als Chris van der Heijden en Bart van der Boom en hun lezers niet alleen op serieuze wetenschappelijke kritiek, maar ook op een mengeling aan kwalificaties als ‘antisemitisch’, ‘onwetenschappelijk’ en ‘slordig’.

Mijns inziens klinkt hier de oude goed-fout tweedeling door, die onder meer voorschrijft dat de ontsteltenis en verontwaardiging over het gebeurde bepalend dienen te zijn bij elke beschrijving of interpretatie van de gebeurtenissen Die tweedeling stelt zich teweer tegen elke vorm van nuancering, alsof die afdoet aan de gruwelen die zijn aangericht en ondergaan. En zij maakt deel uit van een comfortabel naoorlogs verzet dat zich na de bezetting in de loop der tijd heeft gevestigd.

We zien nu ook zo’n ontwikkeling bij de geschiedenis en de naweeën van de slavernij. Piet Emmer, kenner bij uitstek van deze geschiedenis, schrijft in de Volkskrant van 4 juli: ‘Het lijkt wel of de slavernij ieder jaar erger wordt.’ Ook hij wijst op gebrek aan gedetailleerde kennis en mank gaande vergelijkingen. De toon van verguizing en zelfverheffing waarmee dit gepaard gaat, doet even weinig recht aan hen die tot voorwerp van die vergelijking worden gemaakt als aan degenen met wie zij worden vergeleken.

Kees Kolthoff, Amsterdam

Schuldgevoel

Bart van der Boom kreeg wéér de kans zich te verdedigen tegen hen die beweren dat hij onzorgvuldig te werk is gegaan in ‘Wij wisten niets van hun lot’. Ik krijg de indruk dat hier iets anders speelt dan het overdoen van de discussie. Fascinatie met een onderwerp komt niet zomaar. Zoals mijn Joodse naoorlogse generatiegenoten zich blijven afvragen waarom hun familie vermoord is, kan dat ook spelen bij de (klein)kinderen van de daders.

Het gaat er niet om Van der Boom schuldig te verklaren, maar om te begrijpen waarom hij zich zo vastbijt in het ‘nivelleren’ van de motieven van daders en slachtoffers.

Ik weet heus wel dat niet iedereen een held kon zijn en mijn familie van de ondergang had kunnen redden, maar dat steeds maar weer proberen het verschil tussen goed en fout te verkleinen, klopt niet. Waarom is er die onwil om te zien hoe het verborgen schuldgevoel van de overlevenden nog steeds speelt en vaak is doorgegeven aan de volgende generaties? Omdat dan blijkt dat er veel mensen, misschien wel je eigen familieleden, het wél wisten, maar niets deden? Zolang dat niet ter sprake komt, herkend en erkend wordt, blijft de discussie heilloos voortwoekeren.

Renée Citroen, Aerdenhout

Misbruik

De Duitse militair Johann-Adolf von Kielmansegg wilde tijdens een congres in 1993 zijn gehoor ervan overtuigen dat hij in de oorlog niets wist van de Holocaust. Als bewijs las hij passages voor uit zijn dagboek uit die jaren. En daaruit bleek: Von Kielmansegg wist van niets.

Bart van der Boom koos dezelfde strategie in zijn boek, in een poging alle ‘gewone’ Nederlanders vrij te pleiten. Hij vond in Nederlandse dagboeken uit de bezettingsjaren geen details over vernietigingskampen. Zijn conclusie: de ‘gewone’ Nederlander wist er niet van. Er is hierop veel inhoudelijke kritiek gekomen, maar Van der Boom doet alsof het debat alleen gaat om een morele kwestie.

Ook de door ons geuite methodologische kritiek wordt hiermee omzeild. Dagboeken vergen een zorgvuldige interpretatie. Ze worden vaak geschreven ter bevestiging van wat men wil geloven, of wat men niet wil weten. Dagboeken kunnen daardoor gemakkelijk misbruikt worden. Zo werd mede op grond van haar dagboek ‘zuster Lucia de B’ in 2003 wegens moord veroordeeld. Later bleek dat haar dagboek verkeerd was geïnterpreteerd.

Dezelfde dwaling begaat Van der Boom. Elk door hem geselecteerd dagboek past daardoor in zijn visie. Vandaar dat hij Ies Vuysje, die tot een tegenovergestelde conclusie kwam, diskwalificeert als ‘autodidact’. Van der Boom schiet echter zélf als historicus tekort en ontwijkt een inhoudelijke discussie over een boek dat ‘dapper’ wordt genoemd, maar in feite een boodschap uitdraagt die ‘gewone’ Nederlanders maar al te graag horen: wij wisten niets van hun lot.

Arianne Baggerman,Dordrecht

Rudolf Dekker, Amsterdam

Onverschilligheid

In het interview met Bart van der Boom concludeert deze dat onwetendheid over de uiteindelijke moord in de gaskamers de reden was voor omstanders en Joden om niet handelend op te treden. Deze voorstelling van zaken is zeer beperkt, en die beperking ligt niet alleen aan de bronnen, de 164 dagboeken die hij voor zijn studie gebruikte.

Ongeacht de onwetendheid over de details van de toegepaste moordmethode speelde een groot deel van de Jodenvervolging zich onder de ogen van de natie af, met uitzondering van de massale moord die vooral in bezet Polen werd gepleegd. Zichtbaar werden Joden in een isolement gedreven, gemolesteerd, gekenmerkt, beroofd, gedwongen tewerkgesteld, geïnterneerd en gedeporteerd. Naast een handjevol moedige Nederlanders die hun deuren en harten openden, leidde die in Nederland uitgevoerde vervolging niet tot optreden van de meerderheid. In tegendeel, van dit onderdeel van de Jodenvervolging, verkoos de meerderheid weg te kijken. Sommigen inderdaad met verontwaardiging of zelfs ontsteltenis, zoals Van der Boom opmerkt, velen ook met gewenning en toenemende onverschilligheid. Wanneer er een les uit zou moeten worden getrokken, dan is die vooral dat men alert zou moeten zijn op onverschilligheid.

Annemiek Gringold, Joods Historisch Museum, Amsterdam

Wegkijken

Het is volstrekt oninteressant te vragen of de meeste Nederlanders wisten van de Holocaust. Industriële vernietiging kon (bijna) niemand zich voorstellen, maar zoals Van der Boom vorige week zei: ‘De meeste Nederlanders, Joden en niet-Joden, verwachtten dat de Joden vooral door zware arbeid en mishandeling de dood zouden vinden.’

Hier ligt de kern van de zaak: wanneer ga je, als je ernstig onrecht ziet, er dwars voor liggen? Is dat pas als de slachtoffers vergast worden? Van der Boom wil ‘de mythe van de wegkijkende Nederlanders’ ontkrachten in een ‘academisch boek.’ Dat is het niet, want hij negeert de meest elementaire wetenschappelijke wetten door uitspraken, geldend voor de hele bevolking, te doen op grond van 164 dagboeken (geselecteerd uit 3.000 dagboeken bij het NIOD). Een drievoudige, niet-representatieve steekproef dus.

Ook ‘na Van der Boom’ blijft recht overeind dat men, op een klein aantal uitzonderingen na, wegkeek. Dat is heel menselijk, zeker wanneer men de omstandigheden van toen kent. Ik ben Jood, ben ondergedoken geweest, maar over ‘wegkijken’ wil ik niet oordelen. Mijn punt is: geef eindelijk eens toe dat vrijwel niemand iets deed (kon doen).

Dr. Peter R. Hein, Burgwerd

Onwetend

Mijn vader, dr. C. Nooteboom, heeft van 19 juli 1940 tot 17 september 1944 in Duitse gevangenschap doorgebracht. In 1945 heeft hij het groepsgebeuren aldaar beschreven in een boekje: Onder de laars. Wording, groei en ontbinding van een gemeenschap in een Duitsch gevangenenkamp.

In het begin van dit boekje schrijft hij: ‘Zoo was de situatie waarin ik werd gebracht door mijn arrestatie op Vrijdag den 19den Juli 1940. Op dien datum en op den daarop volgenden dag werden een aantal Indische ambtenaren, die met verlof, met non-activiteit of uit anderen hoofde in Nederland vertoefden toen de oorlog hen in Mei van dat jaar verraste, door leden van de Sicherheitspolizei gearresteerd en naar het beruchte concentratiekamp Buchenwald bij Weimar in Thüringen overgebracht. [...] In totaal waren er 217 mannen. [...] Deze ‘geïnterneerden’ passeerden de driedubbele keten van wachtposten rond het kamp, zij werden naakt uitgekleed en van alles ontdaan wat hen aan hun privéleven zou kunnen herinneren. [...] De groep stond onder toezicht van een onderofficier, behept met het grove geestelijk sadisme, dat de bewaking in een dergelijk kamp kenmerkt. [...]’ In 1942 werden de geïnterneerden overgebracht naar Beekvliet, in Brabant. Aan het einde van zijn boekje schrijft hij: ‘Op Woensdag 6 September 1944, den dag na dollen Dinsdag, werden de geïnterneerden plotseling naar Vught overgebracht, waar zij na een mislukte poging tot verder transport in den nacht van 16 op 17 d.a.v. tijdens de luchtlandingen in Brabant in vrijheid werden gesteld [...]’

Mijn vader getuigde, niet alleen in het boekje maar ook later, hoe verschrikkelijk het lot van de Joden in het kamp was, die bijv. bij 20 graden vorst naakt op het appèl moesten komen. Maar ook hij heeft pas na de oorlog kennis genomen van het vergassen van de Joden.

Hans Nooteboom, Leiden