Geef alle scholen de status ‘bijzonder’

De wens van deze krant om artikel 23 af te bouwen is een verrassend pleidooi voor staatspedagogiek, vindt Paul Frissen.

Illustratie Angel Boligan

Staatssecretaris Dekker (Onderwijs, VVD) bepleit in de beste liberale traditie een uitbreiding van het vrijheidsrecht van onderwijs, neergelegd in artikel 23 van de Grondwet. Van oudsher heeft dit recht betrekking op de ‘richting’ van een school en die is vooral religieus of levensbeschouwelijk van aard. Dekker wil dat het begrip ‘richting’ een ruimere interpretatie krijgt: ook niet erkende levensovertuigingen moeten daaronder vallen, schreef hij vorige week aan de Kamer. Daarmee volgt hij een advies van de Onderwijsraad.

In het hoofdredactionele commentaar van 15 juli tekent deze krant bezwaar aan. Afbouw van artikel 23 ten gunste van openbaar onderwijs zou volgens de krant in een geseculariseerde samenleving als de Nederlandse veel meer voor de hand liggen. Voorwaar een verrassend pleidooi voor staatspedagogiek.

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) heeft onlangs in zijn advies ‘Terugtreden is vooruitzien’ juist gepleit voor het bijzonder maken van al het onderwijs. Dat past veel beter bij de politieke consensus dat de overheid moet terugtreden ten gunste van een zelfredzame samenleving. Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) erkent dat ook in zijn recente nota over de ‘doe-democratie’. Voor een vitale samenleving is het noodzakelijk dat burgers en hun verbanden veel meer ruimte krijgen om naar eigen inzicht het publieke domein vorm te geven. Dat zullen zij soms doen in overeenstemming met politieke voorkeuren, maar vaak ook in verrassende of schurende afwijkingen daarvan. Sommige publieke taken zullen zij laten liggen en soms zullen kwetsbare burgers tussen wal en schip van terugtredende overheid en zelfredzame samenleving terechtkomen. Dan past wellicht overheidsoptreden, maar alleen dan.

De vrijheid van onderwijs is een klassiek grondrecht. Het is een recht dat burgers tegen de staat beschermt. De ware betekenis van vrijheid is natuurlijk dat burgers het recht hebben om ‘stomme’ of ‘onverstandige’ dingen te doen en te vinden, zoals Isaiah Berlin in zijn verdediging van de ‘negatieve vrijheid’ betoogt. Onderwijsvrijheid betekent in de kern dat in de ogen van een meerderheid ‘onjuiste’ en te bestrijden opvattingen mogen worden onderwezen. Dat dient een terugtredende overheid te erkennen. Het gaat dan ook niet aan om het sociologisch tamelijk belegen inzicht van de secularisering aan te halen om van het onderwijs weer een staatstaak te maken. Dat Nederland ontkerkelijkt, wil helemaal niet zeggen dat maatschappelijke variëteit en diversiteit afnemen. De migratie heeft er zelfs toe geleid dat religie weer een (groot)stedelijk fenomeen is geworden en niet langer slechts een curieus plattelandsverschijnsel, zoals de elite ten onrechte lang heeft gedacht. Ironisch genoeg is het recht op openbaar onderwijs historisch vooral bedoeld om religieuze meerderheidsdwang te voorkomen.

Een herwaardering van dit klassieke grondrecht, zoals Dekker kennelijk beoogt, verdient dan ook alle steun. Deze herwaardering past in een ontwikkeling die ooit door minister Veerman is aangeduid als een taakverschuiving van de overheid: van ‘zorgen voor naar zorgen dat’. De staat ziet erop toe dat er voldoende onderwijs van deugdelijke kwaliteit is voor elke leerling en student, maar verzorgt dit onderwijs niet zelf.

In de huidige verhoudingen is de onderwijsvrijheid eigenlijk verrassend actueel. De conclusie van de roemruchte commissie-Dijsselbloem dat de overheid verantwoordelijk is voor het ‘wat’ en de scholen voor het ‘hoe’, is dan ook naar de letter een schending van de grondwettelijke onderwijsvrijheid. Het is juist de samenleving van vrije burgers die over ‘wat en hoe’ tegelijk gaat. Daarin past vanzelfsprekend ook het eigendom van een zo belangrijke publieke voorziening als de school: dat is van de ouders. Die moeten eerder meer dan minder vrijheid krijgen. Dat heeft deze staatssecretaris beter begrepen dan deze krant.

Paul Frissen is hoogleraar bestuurskunde. Als lid van de Raad van Maatschappelijke Ontwikkeling schreef hij mee aan het recente advies ‘Terugtreden is vooruitzien. Maatschappelijke veerkracht in het publieke domein’.