Fries Museum: opsmuksloos als de Friezen

In Leeuwarden heropent op 13 september het Fries Museum in een groot nieuw gebouw. Het toont het verhaal van Friesland op diverse terreinen.

Het nieuw Fries Museum, met Ayoreo-indianendoek en Hindelooper kamer Foto’s Kees van de Veen

Nog twee maanden, dan wordt het nieuwe Fries Museum door koningin Máxima geopend.

„Het nieuwe gebouw is robuust en functioneel”, vindt directeur Saskia Bak. „Eerlijk en zonder opsmuk, net als de Friezen. Open, flexibel.”

Binnen is de inrichting al in volle gang. Een groot fotodoek met het portret van Mata Hari ligt op de vloer van een van de zalen op de eerste verdieping. Een medewerkster plakt grote witte letters op de muur: Leeuwarden 1876 komt er te staan. Daar en toen werd de courtisane/buikdanseres Mata Hari geboren. „Mata Hari is een mythe”, zegt Bak. In het nieuwe museum krijgt haar levensverhaal – van de Friese roots tot haar veroordeling ter dood in 1917 in Parijs vanwege spionage – opnieuw een prominente plek. Bak: „In 2017 gaan de archieven in Parijs open en worden de processtukken openbaar. Dan brengen we dus een grote Mata Hari-tentoonstelling.”

Dat het al sinds 1881 bestaande Fries Museum heropent met 2500m2 in een nieuw gebouw, is te danken aan de Friese architect Abe Bonnema. Hij liet na zijn dood in 2001 een legaat na van 18 miljoen euro voor de bouw van een nieuw Fries Museum. Zijn voorwaarden: het moest op het Wilhelminaplein in Leeuwarden komen te staan en architect Hubert-Jan Henket moest het ontwerpen.

Binnen vallen meteen de ruimtelijkheid en het vele glas op. Op drie verdiepingen wordt het verhaal van Friesland verteld op diverse terreinen. Er is een zaal met kaarten, er zijn foto’s van Friese pubers van fotograaf Martine Stig en er is een ruimte waarin de Friese taal wordt belicht.

Op de eerste verdieping is een gereconstrueerde Hindelooper kamer uit de negentiende eeuw opgebouwd. De Berlijnse multimediakunstenaar John Bock bouwde een eigen ruimte naast die stijlkamer, voor een absurdistisch filmproject waarin Hindeloopers figureren. „We willen de Friese cultuur levend houden, maar er geen stolp over zetten”, zegt Bak. „Daarom maken we steeds een verbinding met het nu.”

Het Fries Museum bezit een uitgebreide archeologische collectie. Joost Swarte beeldt op de muren van een andere zaal in een stripverhaal uit hoe in de eerste vier eeuwen na Christus in Friesland streepbandpotten werden vervaardigd: een strip als vervanger van traditionele toelichtende tekstbordjes.

Het museum breekt met meer museale wetten. Op de tweede verdieping hangen kinderportretten niet op ooghoogte, maar veel lager. Het jongetje Johannes van der Laan (1622) kijkt de bezoeker indringend aan. Oud geld is de titel van deze expositie, die de Friese netwerkmaatschappij van de 17de-eeuw weergeeft aan de hand van portretten. Friesland was in de Gouden Eeuw de op één na rijkste provincie van Nederland en de rijken lieten zich in hun welvaart portretteren.

De derde verdieping is de enige waar daglicht binnenvalt. In de grote zaal hangt er onder het motto Horizonnen moderne en hedendaagse kunst uit de eigen museumcollectie van onder anderen Gerrit Benner, Jan Mankes, Robert Zandvliet, Tames Oud en fotografen als Ger Dekkers en Lon Robbé. Ook hier geen teksten bij elk werk, maar op de muur een serie poëtische zinnen.

Op deze verdieping werken ook Wouter Osterholt en Elke Uitentuis aan een wandkleed dat is samengesteld uit doeken van de Ayoreo-indianen in Paraguay. Nabij de Ayoreo-indianen wonen veel mennonieten, volgelingen van de in Friesland geboren prediker Menno Simons. Zij verdreven de indianen in de jaren dertig van hun grondgebied. Op het wandkleed komt in gotische letters Gemeinnutz vor Eigennutz te staan, een nu omstreden leuze uit het partijprogram van de NSDAP, maar ook een motto van veel mennonieten.

Het museum moet 100.000 bezoekers (nu 60.000) per jaar trekken. „Dat moet lukken door te blijven verbazen”, denkt Bak. „Zo komt er in 2016 een expositie over Alma Tadema. Dat wordt een publiekstrekker.”