Er is niks mis met een hapje mensenvlees

In verdedigen schrijvers het onverdedigbare. Vandaag over kannibalisme.

illustratie merlijn draisma

Elk jaar gooien we tienduizenden kilo’s goed biologisch vlees weg. We begraven of verbranden het – soms halen we er bruikbare stukjes uit, maar nooit voor consumptie. Intussen is het biologische vlees in de supermarkt onbetaalbaar.

En dat allemaal vanwege een enkel taboe – volgens Freud naast incest het enige echte taboe: dat op kannibalisme. Het eten van mensenvlees staat niet ter discussie, de gedachte alleen al laat ons walgen. Soortgenoten eet je niet. Net zoals je je huisdieren niet eet, en eigenlijk ook geen paarden (zie het paardenvleesschandaal). Hoe beter we ons met een wezen kunnen identificeren, hoe minder graag we het opeten.

Op kannibalisme rustte niet altijd en overal een taboe. Er zijn verschillende voorbeelden bekend van mensen die soortgenoten aten. Dat gebeurde met verschillende doeleinden. Sommige stammen aten overleden stamgenoten op om ze een laatste eer te bewijzen. Anderen dachten dat er van mensenvlees of -bloed een geneeskrachtige werking uitging. In het derde geval was wraak het motief. De filosoof Michel de Montaigne beschreef al in de zestiende eeuw hoe inheemse stammen in de Nieuwe Wereld hun overwonnen vijand een aantal maanden vetmestten, om hem daarna in stukken te hakken en te serveren.

In onze maatschappij zijn zulke praktijken ondenkbaar. Toch is kannibalisme in de meeste westerse samenlevingen niet strafbaar. Het wordt wel ten diepste afgekeurd. Een mooi voorbeeld is het geval van de Duitse Armin Meiwes, die in 2001 via internet contact zocht met iemand die zich vrijwillig wilde laten doden en opeten. Meiwes werd uiteindelijk veroordeeld voor doodslag en kreeg 8,5 jaar cel. Maar de publieke verontwaardiging richtte zich niet op het doden, maar op het opeten. Een ander voorbeeld is het BNN-programma Proefkonijnen (2011), waarin presentatoren Valerio Zeno en Dennis Storm een stukje van elkaars vlees opaten. Wekenlang werd in de media schande gesproken van dit publieke kannibalisme.

Waarom zijn de gevoelens over kannibalisme in onze huidige samenleving zo sterk? Tegen het eten van mensenvlees bestaan twee soorten argumenten: biologische en culturele. In de eerste categorie wordt genoemd dat het onverstandig is een soortgenoot te doden, omdat je die nog nodig zou kunnen hebben. Maar mensen doden elkaar ook in oorlogen en vaak om de onzinnigste redenen. Een andere reden is de angst om soortspecifieke bacteriën op te lopen. Ten slotte bestaat tegenwoordig de vrees dat je een soort gekkekoeienziekte kunt oplopen door soortgenoten te eten. De laatste twee zijn natuurlijk sterke argumenten, maar ze verklaren niet het totale taboe. Er zijn immers wel meer dingen ongezond – alcohol, tabak, fastfood – maar die blijven we op grote schaal gebruiken.

Mensenetende rugbyers

Het tweede type argument is van culturele aard en luidt simpelweg: het is niet beschaafd om mensen te eten. Primitieve volkeren eten mensen, beschaafde volkeren niet. In de culturele antropologie zijn boeken volgeschreven over de typering van de kannibaal als culturele ‘ander’: een inferieur menstype dat een contrast vormde met de ontwikkelde westerse mens. In onze cultuur is kannibalisme alleen geoorloofd in pure nood. Een voorbeeld is het Uruguayaanse rugbyteam dat in 1972 neerstortte in de Andes. Om te overleven at een deel van het rugbyteam het overleden andere deel op. Ook dit verhaal zorgde voor walging, maar begrip was er eveneens – de jongens konden immers niet anders.

In culturele zin heeft het kannibalismetaboe vooral een functie voor het construeren van onze identiteit: we zijn superieur aan lagere diersoorten die elkaar wel eten en aan uitheemse, onbeschaafde stammen. Voor het overige is het taboe vooral gevoelsmatig. Zoals de filosoof Paul van Tongeren naar aanleiding van het BNN-programma zei in Trouw: ‘De doorbreking van een taboe kun je niet weerleggen met argumenten, je vindt het afstotelijk als het wordt doorbroken. Je gruwelt ervan en dat hangt samen met de aard van het fenomeen ‘taboe’. Een taboe is een volstrekt willekeurige grens.’

Orgaandonatie

Als je er rationeel naar kijkt, is het kannibalismetaboe inderdaad tamelijk willekeurig. Voor onze identiteit hebben we het niet nodig – er zijn genoeg andere kenmerken waarmee we ons onderscheiden van andere dieren en primitieve stammen. En ook over het gevoelsmatige aspect valt te twisten. Wie een mens eet, slikt niet de gedachten en gevoelens van de gegetene door; enkel een stukje vlees, een deel van een zielloos lichaam. Bovendien nemen we al delen van medemensen tot ons door middel van bloed- en orgaandonatie. Natuurlijk, die gaan niet via de slokdarm en dienen een ander doel dan het eten van mensenvlees. Maar de grens is broos.

Ik pleit uiteraard niet voor het vermoorden van mensen om ze op te eten. Ik zeg ook niet dat we tegen onze zin overleden soortgenoten moeten verorberen. Als we geen behoefte hebben aan het eten van mensen, is er geen reden het te doen. Maar wat als er wel vraag naar is? Neem bijvoorbeeld de man die als grote wens had om na zijn dood door vrienden gegeten te worden. Hij had zelfs al adviezen liggen voor het culinair verantwoord bereiden van zijn lichaamsdelen. Het etentje ging uiteindelijk niet door omdat de man overleed aan kanker en zijn lichaam vergiftigd was door de chemokuur. Maar als hij op een andere manier was overleden, hadden zijn vrienden hem wat mij betreft lekker mogen opeten. Als alle betrokkenen het graag willen en ze er niemand mee schaden, wat is dan het probleem?

In de zomerserie ‘Advocaat van de duivel’ kraken schrijvers een taboe. Volgende week vrijdag Johannes Visser over onzinnige beleefdheid.