Een kraai doet zijn beklag over de wereld

Cees Nooteboom maakte samen met Simone Sassen een pelgrimstocht langs 33 Japanse tempels en belandde in de wolken.

Stenen lantaarn en poortje op de weg naar de tempel Kannonsho-Ji; en drie tempelsouvenirs

Jos Vos is niet te benijden. Jos Vos? Die naam zegt u niets? Dat kan kloppen, mij aanvankelijk ook niet, maar nu wél. Met dank aan Cees Nooteboom, die hem opvoert in Saigoku. Samen met zijn vrouw, fotografe Simone Sassen, brengt Nooteboom daarin verslag uit van pelgrimstocht die hij – gespreid over jaren – heeft ondernomen langs 33 tempels in de omgeving van de voormalige Japanse hoofdstad Kyoto. Zijn echtgenote zorgde voor de foto’s.

Behalve Sassen reisde ook Murasaki Shikibu mee. Duizend jaar geleden schreef deze hofdame van de toenmalige keizerin de eerste roman uit de wereldgeschiedenis, Het verhaal van Genji, over het ‘eeuwig voortdurend theaterstuk’ dat het Japanse keizerlijke hof heet. Veertienhonderd pagina’s worden bewoond door zo’n 430 personages. Ze leefden in ‘de heiligheid van de wolkenwereld’, ver verheven boven het tranendal van de armoedzaaiers.

In een donkere wolkenwereld weliswaar, want in de schemerduistere gangen en vertrekken konden de hofdames hun minnaar uitsluitend herkennen aan diens zelfgemaakte parfum. Men houdt in dit land nu eenmaal bij voorkeur het dag- en zonlicht buiten de deur, om te genieten van ‘mysterie der schaduwen’, zoals Junichiro Tanizaki schreef in zijn prachtboekje Lof der schaduw.

En nu komt Jos Vos tevoorschijn: hij werkt aan de eerste Nederlandse vertaling van de Genji, waarvan Nooteboom een Duitse uitgave meesleepte op zijn pelgrimage. Door er royaal in Saigoku uit te citeren weet hij je grondig nieuwsgierig te maken naar de verbeelding, het gevoelsleven en voyeurisme van de hofdame. Zij zat ongetwijfeld vaak verscholen in het riet van de krokodillenvijver die de hofhouding geweest moet zijn. De huidige Japanner begrijpt overigens niets van dat 11de-eeuwse hof-Japans, maar Jos Vos bijna alles, zo zal blijken als zijn vertaling in november verschijnt.

Beschonken spin

Geboren zijn is ongemak, vond de Roemeens-Franse filosoof E.M. Cioran, en dat is het latere reizen ook. In 33 hoofdstukjes, elk gewijd aan een tempel op de Saigoku-route, beklaagt Nooteboom zich regelmatig, en iets te vaak, over het Japanse transportwezen. Punctueel weliswaar, maar op papier oogt het als ‘het web van een beschonken spin’.

Eenmaal daaruit bevrijd moet er geklommen worden over glibberpaden, tussen pijnbomen, ceders en de oranjerode ahorns, op weg naar Kannon, de godin van de barmhartigheid, die zich in de 33 tempels in een steeds andere gedaante manifesteert. Medelijden met de auteur is overbodig, want hij wordt beloond met vergezichten vol diepgroene valleien, hemelsblauwe bergen en hypergecoiffeerde parken en tuinen, zo onthullen Sassens foto’s.

Bodhisattva Kannon – wél verlicht, maar op aarde gebleven om de simpelen van geest bij te staan – kreeg de gedaante van zowel vrouw als paard. Beelden van haar worden maar eens per jaar of per twee, drie decennia in de tempels getoond. ‘Je zou duizend levens moeten hebben om ze allemaal één keer op de juiste dag te moeten bezoeken’, aldus Nooteboom. Daarom blijft het fotoresultaat in dit boek beperkt tot toegangspoorten, contouren en entourages van de pagode-achtige tempels. Jammer, want je wilt ‘de vrouw met de duizend armen’, ‘met de elf hoofden’ of ‘met de 28 dienaren’ maar al te graag te zien krijgen.

Nooteboom vertelt veel legendes na, leert de lezer wat Japans, en weidt uit over de stichters van de tempels die vaak door een droom tot hun daad kwamen; over Kobo Daishi, de stichter van het esoterische shingon-boeddhisme; over de rituelen bij tempels en kloosters, van handwassing en zingzang-grommende monniken tot en met priesters die ’s avonds op grote schelpen de dag uit blazen.

En dan zijn er de Japanse pelgrims die bij aankomst in hun handen klappen om de hemel te berichten dat ze in de tempel gearriveerd zijn. Ze laten briefjes achter op dat deel van een gebeeldhouwd lijf waar ze zelf last van hebben. En er wordt volop gebeden voor een voorspoedige bevalling, wedstrijden, examens, zaken, noem maar op.

Het feit dat de 11de-eeuwse hofdame zelf in sommige tempels heeft vertoefd, zorgt voor melancholische mijmeringen over haar uiterlijk en eruditie. Peinzen doet de schrijver ook over het plezier van ritmisch lopen, over de overeenkomsten tussen boeddhisme en katholicisme, en over de kraaiende kraai die zijn beklag doet over de wereld. En daartussen sijpelen dan de ergernissen door over het ‘vulgaire toerisme’, over ‘de narcistische generatie die zichzelf alsmaar fotografeert’ en over the sound and fury buiten de tempel, waar trouwens, alweer, geen enkele foto blijk van geeft – zoals ook geen enkele Japanse pelgrim in dit boek zijn zegje mag doen.

Minikunstwerkjes

In zijn leporello heeft Nooteboom intussen alle 33 rode stempels met zwarte kalligrafische krabbels – minikunstwerkjes voor de spotprijs van 300 yen (€ 2,30) elk – verzameld. Zo’n verzameling tempelsouvenirs doet denken aan de middeleeuwse pelgrims in Europa, die terugkeerden met een speldje van Vézelay, Keulen of Santiago de Compostela op hun hoed of jas: ‘Kijk mij eens, ik heb die o zo moeilijke tocht toch maar mooi volbracht!’ En natuurlijk moeten de kalligrafieën, het boek en foto’s ook van die prestatie getuigen.

Nootebooms diepere gevoel van voldoening over deze onderneming zal in wezen ook niet veel afwijken van dat van de vroege pelgrims. ‘Hoe langer zo’n reis duurt des te beter je gewapend raakt tegen wat de onzin van de wereld lijkt’, schrijft hij. Dat mag zo zijn, maar Japan en Boeddha moeten je wel erg na aan het hart liggen om die 33 tochten, vol taal- en transportbarrières, naar de steeds afwezige Kannon te volbrengen. Ik wacht op Jos Vos.