Column

Doen wat niet gedaan mag worden

Het is geen foto waarop je jezelf graag zou zien. Doodgeschoten mannen in een greppel, twee levende soldaten erbij, eentje een sigaret rokend, de andere knielend aan de rand van de greppel, kijkend. Waarnaar? Of de laatste man echt dood is? De soldaat heeft een geweer in zijn hand, hij ziet eruit of hij zojuist geschoten heeft.

Dat is niet zo, zegt de 87-jarige veteraan die zichzelf op deze foto meent te herkennen. Hij had niet geschoten, dat deed de luitenant die nu een sigaretje heeft opgestoken. Maar zelf vuurde soldaat Harrie Nouwen wel mortieren af op het dorpje vlakbij, waarbij waarschijnlijk wel burgers geraakt zijn. En het was niet de eerste keer dat zijn patrouille in een dergelijke situatie verzeild raakte. „Er is nooit iemand die wij gevangen namen levend weggekomen.” Nooit. De soldaten martelden krijgsgevangenen en schoten ze dood. Er hebben onthoofdingen plaatsgevonden, er zijn burgers doodgeschoten. Niet allemaal door Harrie Nouwen natuurlijk. Maar hij wist ervan, hij begreep het allemaal wel, hij deed mee: „Je doet wat je wordt opgedragen.”

Arme man. Ik bedoel dat niet ironisch. Hij was een jonge soldaat, hij had geen idee wat hem in Indië te wachten stond, en hij kwam terecht in een smerige, onoverzichtelijke oorlog waarbij men van beide kanten niet keek op een dode. Zoiets moet iemand veranderen. Hier, thuis, in een rustige situatie, is het niet zo moeilijk te weten wat goed en fout is, hoe je je hebt te gedragen als moreel mens. Daar, waar alles wat je voor onmogelijk en onbestaanbaar houdt toch voor je ogen gebeurt, dagelijkse werkelijkheid is, werkt het geweten waarschijnlijk anders.

Een paar jaar geleden werd op de televisie een indrukwekkende documentaire vertoond, over Israëlische meisjes die hun dienstplicht hadden vervuld in de Palestijnse gebieden, To see if I’m smiling van Tamar Yarom. Ze hadden dingen gedaan die ver buiten hun voorstellingsvermogen lagen toen ze nog niet in dienst waren. Eén meisje, medisch officier, had zich laten fotograferen met het lijk van een doodgeschoten Palestijn. Ze durfde nu niet meer naar die foto te kijken, ze was bang dat ze zou zien dat ze er lachend op stond. „Ik herinner me dingen die geen enkele band hebben met de realiteit (…) Maar ik weet dat ze wél zijn gebeurd, want ik voel ze zo hevig.”

Betekent dat dat wie in zulke situaties terecht komt niet anders kan dan meedoen? Dat in omstandigheden ‘doen wat je wordt opgedragen’ de enige mogelijkheid is? We weten dat er altijd rustige dappere mannen en vrouwen zijn die niet meedoen. Maar zij zijn de uitzonderingen. Niet omdat, zoals het cliché wil, er onder ‘een heel dun vernisje beschaving’ in iedereen een beest verscholen zit. Er zijn wel mensen met zo’n beest, maar het zijn in de verste verte niet allemaal beestachtige types die onder omstandigheden tot verbazingwekkende onverschilligheid, op zijn minst erg, en afschuwelijke daden, op zijn ergst, in staat zijn. De meeste mensen passen zich gewoon geleidelijk aan aan omstandigheden. Ze wennen, net zo goed aan luxe als aan ontberingen en wreedheden. In een omgeving waarin agressie de norm is, wordt iedereen agressiever. Mensen laten zich bovendien makkelijk onder druk zetten, denk aan het beroemde stroomstoten-experiment van Milgram, waarin mannen in witte jassen proefpersonen op dwingende toon te verstaan gaven dat het belangrijk was dat zij ondervraagden stroomstoten toedienden. En de meesten deden het, tot ver boven verdraaglijke waarden, zeker als ze eenmaal gehoord hadden dat ze niet verantwoordelijk gehouden zouden worden voor de gevolgen.

In de roman Lore van Rachel Seiffert, gaat een jonge Duitse man op zoek naar het oorlogsverleden van zijn grootvader die in Wit-Rusland bij de Waffen SS heeft gediend. Hij komt in contact met een Wit-Rus die met de Duitsers heeft meegewerkt. Inmiddels een oude man. Net als Harrie Nouwen wil hij, na aarzelingen, toch een keer zijn verhaal vertellen. Hij zegt dat zijn vader door de communisten vermoord is. Dat veel Joden communisten waren. Dat hij en zijn familie honger hadden. En dan zegt hij: ,,Het is moeilijk om dit te zeggen, heer Lehner, zelfs na zoveel jaar (…) Ik kan al die redenen geven. Ik had mijn vader verloren, ik had honger, ik wilde mijn familie helpen. Bevel is bevel, ik was niet verantwoordelijk, ze zeiden dat de Joden communisten waren, communisten waren de oorzaak van mijn ellende. Steeds weer kan ik die dingen zeggen. Er verandert niets. Ik heb gekozen om te moorden.” Er verandert niets. Hoeveel excuses, omstandigheden, verzachtingen er ook aan te voeren zijn. Er is gedaan wat niet gedaan had mogen worden. En daar moet de dader mee leven. Vandaar dat ik dacht: ‘arme man’. Niet uit minachting voor de slachtoffers, maar omdat niemand weet wat hij in zulke omstandigheden zal doen. Je kunt alleen maar hopen dat ze je bespaard zullen blijven.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.