De familie Flodder op de Kneuterdijk

Dat ook het keurige, 17de-eeuwse Den Haag kampte met corruptie blijkt uit een smeuïg justitie-dossier dat voor het eerst is uitgeplozen.

Miniatuurportret van Sophia van Noortwijck, vermoedelijk geschilderd door Johannes Vollevens (ca. 1700) Haags Historisch Museum

In juni 1697 raakte de Britse bankier Edward Childe op een rondreis door de Republiek lyrisch van Den Haag. Nergens waren de mensen zo ‘beschaafd en vriendelijk’ als daar. Het was de indruk die Den Haag op veel reizigers wist te maken. Een dorp waar de goede kanten van het hofleven en het stadse bestaan met elkaar gecombineerd konden worden. Er was bovendien veel natuur en frisse lucht. En er waren talloze aantrekkelijke vrouwen, merkte een landgenoot van Childe, Lord Fitzwilliam, een paar jaar eerder op.

Het kon bijna niet anders dan dat deze mondaine façade ook een minder ‘beschaafde’ achterkant had. In hoeverre die voor buitenlandse reizigers verborgen bleef is de vraag; ze schrijven er nauwelijks over. Maar juist op het moment dat Childe in Den Haag verblijft, komt daar een schandaal op gang van familie Flodder-achtige allure. Alles zit er in: geldzucht, diefstal, valsheid in geschrifte, chantage, misleiding, en heel veel buitenechtelijke seks. Dat laatste zelfs regelmatig open en bloot. De deuren van slaapkamers stonden kennelijk vaak wijd open aan het einde van de zeventiende eeuw.

In Een Haagse affaire reconstrueert Marie-Charlotte Le Bailly hoe een vermogende Haagse weduwe, Sophia van der Maa, en haar dochter door justitie en ook door hun directe omgeving stevig in de tang worden genomen. Verdacht van valsheid in geschrifte, ontvreemding van obligaties en overspelige activiteiten.

De dames behoren tot de golf nieuwe rijken die in de loop van de zeventiende eeuw in Den Haag neerstrijkt, er geniet van het luxueuze leven en profiteert van de mogelijkheden om in de bestuurlijke circuits goed betaalde baantjes te verwerven.

Sophia van der Maa was de dochter van een juwelier. Ze trouwde met IJsbrand van Noortwijck, een zich handig verrijkende thesaurier. Van Noortwijck stierf in 1679. Hun dochter Sophia is dan zes jaar oud. Hoe de jeugd van dit vaderloze kind verder is verlopen, valt niet te achterhalen, maar dat ze omstreeks haar 22ste beviel van een onecht kind, en zo’n drie jaar later nog eens, geeft te denken.

Jacob van Lennep

Het laatste kind bleek omstreeks 1698 verwekt te zijn door een getrouwde Jood, Salomon Pereira. Dit is al genoeg stof voor een roman. Toen Jacob van Lennep ruim anderhalve eeuw later op het spoor kwam van deze affaire schreef hij er op basis van gerechtelijke documenten het historische verhaal ‘De moeder en de magistraat’ over. Centraal staat daarin de weduwe, die uit de erfenis van haar ouders 80.000 gulden in beheer kreeg, die ze volgens testamentaire bepalingen aan haar dochter moet geven zodra ze trouwt.

Van Lennep laat de weduwe alle mogelijke toeren uithalen om te voorkomen dat haar dochter trouwt of zelfs maar een aantrekkelijke huwelijkskandidaat kan zijn. Haar buitenechtelijk kinderen helpen daar bij. De familie van der Maa-Noortwijck gaat over de tong in de residentie.

Wanneer het buitenissige gedrag van moeder en dochter de aandacht van justitie trekt, wordt een laatste troef uitgespeeld. Een van de gerechtsdienaren (de ’magistraat’ uit de titel van Van Lennep), ene Andries Hofland, gooit het met de weduwe op een akkoordje: zijn zoon zal trouwen met haar verlopen dochter. Een huwelijk dat in 1700 ook daadwerkelijk is voltrokken. Dit loopt in de kijker, met als gevolg een schandaal binnen de rechterlijke macht. De affaire blijkt nu een ongekende olievlekwerking te hebben, die pas zo’n tien jaar later met een laatste rechtszaak tot stilstand komt. De meeste betrokkenen zijn dan al dood.

Le Bailly heeft voor haar boek kunnen putten uit een enorm gerechtelijk dossier (bewaard in het Nationaal Archief en de Koninklijke Bibliotheek) dat destijds door Jacob van Lennep goeddeels terzijde was gelaten. Het bevat minutieuze verslagen van getuigenverhoren, van beraadslagingen van de rechters, maar ook teksten van tientallen liedjes en spotdichten die op datzelfde moment werden vervaardigd en vaak gedrukt in omloop werden gebracht.

De mooiste vondst is het persoonlijke verslag van de onderzoeksrechter tijdens het proces, Adriaan Pieter de Hinojosa. Van hem bewaart de KB 42 banden met dossiers van alle mogelijke zaken die hij tijdens zijn lange loopbaan heeft behandeld. Ze waren niet onbekend, maar Le Bailly is de eerste die er uitgebreid uit put. Het levert tezamen met de gerechtsverslagen een schat aan wonderlijk levensechte details op. Dat Sophia jr. zich met haar minnaar in bed uitdoste als boer en boerin om de seks spannender te maken, is er maar één van. Het toont ook hoe in Den Haag de geruchtenmachine reputaties genadeloos kon verpulveren.

Moralistisch verhaal

Het is jammer dat het verhaal zo onhandig is opgeschreven. Een Haagse affaire ontbeert structuur, en de zinnen ontsporen nogal eens. Het is bovendien overbodig dat Le Bailly meent voortdurend te moeten polemiseren met Jacob van Lennep, die op basis van veel minder gegevens slechts een moralistisch verhaal in elkaar draaide.

Ze neemt het met name op voor de dochter, die door de geschiedenis erg onrechtvaardig behandeld zou zijn. Of deze behoorlijk wilde dame echt een willoos slachtoffer van een cynische mannensamenleving moet heten, betwijfel ik. Er is teveel manipulatie en oplichterij van haar in het spel om dat te blijven aannemen.

Ze kwam wel weg met een vrij milde straf, vrijspraak op grond van haar leeftijd, met betaling van 10.000 gulden proceskosten. Haar moeder kreeg een stevige douw: levenslang en een boete van 66.000 gulden, meer dan een half miljoen euro in hedendaags geld.

De echte held van Een Haagse affaire is wat mij betreft onderzoeksrechter Adriaan Pieter de Hinojosa, die niet alleen een enorme schat aan archivalia naliet, maar ook ongevoelig bleek voor omkoping en zwartmakerij. Hollands degelijk, zoals buitenlanders het graag zagen.