Wie zo gewoon is doet geen rare (doping)dingen – toch?

Voor het eerst in jaren staan twee Nederlanders in de subtop van het klassement. Bauke Mollema en Laurens ten Dam ogen fris en naturel. Doen ze niks verkeerds?

Het was een winderige ochtend in het voorjaar van 2004. Wielerfanaat Brand Bos fietste zoals elke dag vanuit zijn woonplaats Zuidhorn naar zijn werk in Groningen. Zo’n 14 kilometer, via de Friesestraatweg (N355). Bos reed stevig door, ruim 30 kilometer per uur.

Op het bruggetje over het Aduarderdiep werd Bos op zijn racefiets ingehaald door een tengere 17-jarige. De jongen reed op een herenfiets zonder versnellingen, met een tas vol schoolboeken om zijn schouders. Bos: „Met een grijns op zijn gezicht fietste hij mij voorbij, hij reed zeker 34 kilometer per uur.”

De jongen heette Bauke Mollema en was op weg naar de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij economie studeerde.

Bos herkende Mollema uit Zuidhorn, een dorp met zevenduizend inwoners. Hij sprak hem aan toen hij op een andere dag weer werd ingehaald. „Potverdomme, wat fiets jij hard. Je moet bij een vereniging gaan.” Mollema, die tot dan alleen voor zijn lol zo hard mogelijk fietste, sloot zich op zijn advies aan bij de Noordelijke Wielervereniging Groningen.

Mollema bleek een supertalent. De herenfiets werd een racefiets. De student werd een wielrenner. De bescheiden Groningse jongen werd een bekende Nederlandse sporter.

Wie het wielrennen een beetje volgt, kent dit verhaal van Bauke Mollema (26). De Hollandse jongen uit het noorden van het land. Groot geworden op boterhammen met pindakaas. Die helemaal niet had geoefend op de loodzware, mythische Mont Ventoux: „het is gewoon een berg”. Die gewoon graag fietst, door weer en wind. En dat terwijl het wielrennen helemaal niet in de familie zit. Een jongensboekverhaal.

De laatste keer dat een Nederlander het podium in Parijs haalde, was in 1990, toen Erik Breukink derde werd. Na bijna een kwart eeuw is er weer kans op Nederlands succes.

En dan staat er op de zevende plaats nóg een Nederlander: Laurens ten Dam (32). Hij rijdt ook voor Belkin. Ook hij is geboren in de provincie Groningen én een doodnormale jongen. Ten Dam is, met zijn baardje en lievelingsfilm The Big Lebowski, wel een ander type. Wat meer van het vrije leven. Woonde jarenlang antikraak, gaat op vakantie in een oude camper en groeide op in een woonboot. Maar net als zijn kopman – Ten Dam is de superknecht van Mollema – houdt hij oprecht van fietsen. Een ‘koersbeest’ wordt hij wel genoemd.

Wie heeft het nog over doping, als je ‘Bau en Lau’ ziet? „Ze zijn heel erg neergezet als menselijke sporters, als jongens die zich niet gek laten maken”, zegt Jacco van Sterkenburg, onderzoeker aan de Erasmus Universiteit en bij sportonderzoekbureau Mulier Instituut. Wie zo gewoon is, doet geen rare dingen, lees: gebruikt geen doping. Toch?

Het Nederlandse wielrennen is toe aan zuivere prestaties na een zware winter vol dopingbekentenissen. Er werd gevreesd voor de toekomst van de volkssport. „Je zou ze wel willen knuffelen, deze twee uit de klei getrokken jongens”, vertelt Ivo van Hilvoorde, lector aan hogeschool Windesheim en sportfilosoof aan de Vrije Universiteit. „We denken: ‘we’ staan zo hoog in het klassement omdat de mensen die vals speelden, zijn weggevallen. We geloven dat de opsporing er bovenop zit. Wat we liever vergeten, is dat de testen nog nooit waterdicht zijn geweest.”

Symbolisch voor deze ontwijkende houding is De Avondetappe van vorige week, waar Mollema en Ten Dam te gast waren bij presentator Mart Smeets. De twee renners kregen in de ruim vijftig minuten durende uitzending één dopingvraag voorgelegd: „Is het aan jullie al eens gevraagd? Zo van: bam, wat genomen vandaag?” Ten Dam lacht, zegt ‘nee’ en dan gaat het gesprek weer over iets anders.

Moeten we deze twee onschuldig ogende Hollandse jongens geloven? Nee, zegt wielerhistoricus Wout Koster. Blijf wantrouwig en argwanend, is zijn advies. „Ik durf voor geen één renner mijn hand in het vuur te steken. Door het dopingverleden vertrouw ik niemand meer in de wielerwereld.”

Er wordt vaak gezegd dat het wielrennen intussen veel schoner is dan een paar jaar terug. Dat zou het resultaat zijn van de jarenlange strijd tegen stimulerende middelen. Maar: „Dat is iets wat de komende jaren gaat blijken”, zei Herman Ram, directeur van de Nederlandse Dopingautoriteit, deze week tegen de NOS. „Het is gelukt het probleem sterk terug te dringen, maar het is niet weg.”

In het peloton wordt al enige tijd gesproken over een nieuw dopingmiddel, Aicar. Dit experimentele medicijn bevordert de doorbloeding en de verbranding van vet en koolhydraten. Er is nog geen renner betrapt op het gebruik van Aicar – het middel is nog moeilijk op te sporen.

Wat we wél weten: dat er geen aanwijzingen zijn voor dopegebruik bij Mollema en Ten Dam. Hun prestaties zijn goed, ook in voorgaande jaren zaten ze dichtbij de wereldtop. Hun klimtijden zijn geloofwaardig.

De beeldvorming van de twee is: fris en naturel. Het zijn identificeerbare helden, zegt mediasocioloog Peter Vasterman. Alle Hollandse waardes projecteren de media op hen. „Bescheiden types, geen showmannen, authentiek, Elfstedentocht, verlangen naar de overzichtelijke samenleving van de jaren vijftig.” En omdat er zoveel aandacht is voor de Tour, gaat de kijker mee in de emotie en wordt er gesproken van ‘Mollemania’. „Het is een cirkel: de media verslaan wat ze zelf hebben gecreëerd.”

Het zou, zegt Vasterman, haast ongepast zijn die frisse Bauke Mollema en Laurens ten Dam te vragen naar dopegebruik. De jongens van de gestampte pot laten de doping (voor even) vergeten.