Verkeerde les voor wielerjournalist

Journalisten moeten zelf op onderzoek uitgaan en niet elke Tourwinnaar telkens naar gebruik van doping vragen, vindt Herbert Blankesteijn.

Deze week moest geletruidrager Chris Froome eindeloos vragen over doping beantwoorden. Zo probeerde een horde wielerjournalisten Armstrongtrauma’s te verwerken.

Meer dan tien jaar lang fungeerden ze als applausmachine voor een leugenaar en hielpen ze mee de enige journalist die Armstrong doorhad en zijn journalistieke plicht deed, David Walsh, het leven zuur te maken.

Nu is er weer een renner die harder rijdt en doen ze precies het tegenovergestelde: ze stellen ongelovige vragen. Waartoe? Verwachten ze dat Froome opeens zal zeggen: „Ach, da’s waar ook, ik heb geslikt’’?

Die vragen dienen als alibi voor de wielerjournalisten. Ze laten zien hoe geweldig kritisch ze zijn geworden. Iemand die harder rijdt, moet stevig worden aangepakt. En als hij ontkent, geloven we hem niet zomaar. Als we opschrijven dat hij ontkent, hebben we vandaag weer genoeg onderzoeksjournalistiek gedaan.

Maar er zal altijd iemand moeten winnen. Gaan we vanaf nu elke Tour dit soort onsmakelijke sessies houden met de geletruidrager van de dag? „Jij rijdt het hardst, dat kan niet deugen.”

Zo hard rijdt Froome toch niet? Hij heeft in het klassement maar een paar minuten voorsprong op zijn beste concurrenten. Op de Ventoux één minuut. In de waaieretappe van vrijdag 12 juli kon hij de kopgroep met Contador, Kreuziger, Mollema en Ten Dam niet inhalen en verloor hij een minuut. Waarom waren de nummers twee tot en met vijf van het klassement toen niet verdacht?

Maar waarom ligt de bewijslast bij Froome? De journalist moet toch het bewijsmateriaal aandragen voor dopinggebruik en dan eventueel commentaar vragen aan de betrokkene. Dat betekent: spitten in zijn verleden, praten met familie, ex-collega’s, wetenschappers en dergelijke. In hun verhalen zoeken naar overeenkomsten en verschillen, en wegen wie het meest geloofwaardig is.

David Walsh nam die moeite, maar het lijkt er niet op dat er nu iemand is die dit doet ten aanzien van Froome. Die ‘kritische’ vragenstellerij is van hetzelfde gemakzuchtige peil als Mart Smeets, die in De Avondetappe aan Walsh liet zien dat hij heus wel vragen had gesteld bij Armstrongs hegemonie: aan Armstrong zelf. Maar ja, die ontkende, wat kon Smeets daaraan doen?

Waarop Walsh aan Smeets en de overige aanwezigen moest uitleggen dat het bij mogelijk dopinggebruik zinvol kan zijn andere bronnen te raadplegen dan de betrokkene.

Herbert Blankesteijn is publicist.