Rijks is gorilla in een balletjurkje

Het Nieuwe Rijksmuseum is mislukt, schreef de Britse kunsthistoricus Julian Spalding vorige week in het Cultureel Supplement. Die stellingname leverde veel reacties op. Directeur Wim Pijbes zei op nrc.nl dat hij zich niet in de kritiek herkent: ‘Weet je hoeveel recensies er verschenen zijn? Als ik daar allemaal op moet gaan reageren... Zet dat er maar in: fijn dat meneer Spalding ook een mening heeft.’

Illustratie Olivia Ettema

Balletjurkje

Met instemming las ik de kritiek van Julian Spalding op de inrichting van het Rijksmuseum. In 2001 schreef ik op verzoek van Ronald de Leeuw een stuk ten behoeve van de planvorming voor de grote renovatie van het Rijks die toen werd voorbereid. Ik beargumenteerde daarin dat een ‘terug naar Cuypers’ (zoals de strijdkreet in 2001 luidde) uit museaal oogpunt het domste was wat men kon doen, en betoogde dat een grondige transformatie van het gebouw, en van de kunsthistorische conventies met betrekking tot de presentatie van de collectie, dringend nodig was. Dit om het Rijks geschikt te maken voor de samenleving van de 21ste eeuw. Twee jaar later werd Spalding blijkens zijn artikel gevraagd om het denken over de collectie op gang te brengen. Zijn oordeel over de huidige situatie is hard en doeltreffend. Er is niets getransformeerd, er is hoofdzakelijk geconserveerd, vooral oude denkgewoonten.

Er was voor dit mondiale topinstituut dringend iets anders nodig: maximale intelligentie, creativiteit, nieuwsgierigheid en ambitie om iets wat in de huidige samenleving vreemder is dan ooit, namelijk oude kunst en vaderlandse geschiedenis, indrukwekkende, richtinggevende betekenissen te geven. Mijn kritiek en teleurstelling zijn als die van Spalding: het Nieuwe Rijks presenteert zijn schatten op een conventionele, ja ouderwetse manier als ‘prachtig’ en laat het daarbij. Anders dan Spalding heb ik ook zorgen over de architectuur. In het stuk dat ik in 2001 schreef, noemde ik het gebouw een gorilla in een balletjurkje. De restauratie heeft ervoor gezorgd dat die attractie weer honderd jaar vooruit kan.

Lariekoek

Julian Spalding weet niet waar hij het over heeft, wanneer hij zegt dat het Rijksmuseum mislukt is. In 2003 moge hij dan in opdracht van de toenmalige directeur Ronald de Leeuw zijn ideeën over het nieuwe Rijksmuseum geventileerd hebben, hij gaat geheel voorbij aan de ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar. De naam van De Leeuw (vertrokken in 2008, het museum als een zinkende bouwput achterlatend) noemt hij in zijn stuk een keer of vijf, die van de huidige directeur Wim Pijbes geen enkele keer. Hij scheert alle conservatoren, gelijk met het personeel van het restaurant (beneden de maat en slecht geleid) over één kam met zijn bewering dat de mensen van het Rijksmuseum niet aan hun publiek hebben gedacht. Lariekoek!

Op dinsdag 4 juni was ik een hele dag in het Rijksmuseum. Ik bezocht alle afdelingen en genoot van de nieuwe presentatie: informatief, verrassend en ook bij grote drommen mensen aangenaam. Terwijl ik in het restaurant, waar het druk was, van een snel geserveerd kopje koffie met een stukje appelgebak (van Holtkamp) zat te genieten, zag ik de heer Pijbes op de trappen in de centrale hal lopen. Onopvallend, alleen, maar aanwezig. Hij keek rond, niet naar de kunst maar naar zijn bezoekers. De conservatoren hebben niet de – voor zover ik kan beoordelen volstrekt onuitvoerbare – adviezen van de heer Spalding van tien jaar geleden opgevolgd, maar ze staan wel onder leiding van iemand die op een doordeweekse dinsdagmiddag oog heeft voor het gewone publiek.

Hulde voor het zeer geslaagde nieuwe Rijksmuseum, hulde voor zijn conservatoren, hulde voor de mensen van het restaurant en hulde voor een directeur die zich niets van de opinie van de gevestigde orde aantrekt.

Zwanger

Julian Spalding wordt als een scherp criticus aangeprezen. Deze oud-museumdirecteur moet toch maar eens scherper kijken. Zijn mening dat de echtgenoot van het zwangere ‘Joodse bruidje’ met zijn hand de eerste beweging in haar buik voelt, zou ik af willen doen als gezwatel. De man heeft zijn hand op haar borst en hooguit een beetje op haar maag. Meneer Spalding kan dus nog wel een anatomisch lesje gebruiken.

Het Joodse bruidje

Hoewel Julian Spalding veel interessante voorstellen in zijn artikel doet wordt de waarde van hetgeen hij stelt ondermijnd door wat hij zegt over het fenomeen ‘aanraken’ in combinatie met Het Joodse bruidje. Spalding stelt dat er een groot verschil bestaat tussen de sociale acceptatie van het elkaar aanraken in de Gouden Eeuw en nu. Hij licht dat toe met zijn verhaal over de witte handschoenen. Hij beschrijft dat de man zijn hand op de buik van de vrouw heeft liggen om de eerste beweging van hun kind te voelen. De vrouw heeft haar hand op de hand van de man liggen, in liefdevolle erkenning van het aandeel van de man in dat nieuwe leven.

Het klinkt mooi. Maar wat Spalding zegt is niet waar, zoals vastgesteld kan worden door de foto op de voorkant van het Cultureel Supplement nog eens goed te bekijken. De hand van de man ligt op de borst (dus niet op de buik) van de vrouw; wellicht daarheen geleid door haar eigen linkerhand. Haar rechterhand rust op haar eigen buik. Als er al sprake is van nieuw leven is zij op dat moment de enige die dat kan voelen. Ik zie een vrouw die het goed vindt dat een man zijn hand op haar borst legt en daarbij haar eigen hand op die van hem legt. Overigens een handeling die je in onze tijd niet snel in een familieportret zult tegenkomen.

En daarmee komt de uitspraak van Spalding dat in Het Joodse bruidje sprake is van „een van de meest veelzeggende verbeeldingen van aanraking in de kunstgeschiedenis” in een ander daglicht te staan.

Handschoenen

Spalding is zeer teleurgesteld over de nieuwe inrichting van het Rijksmuseum. In zijn visie is het de taak van elk museum de bezoeker verhalen te vertellen over het verleden. Die museumbezoeker weet volgens hem namelijk nog helemaal niets. Hij had voorgesteld bij Rembrandts Joodse bruidje, een vitrine te plaatsen met daarin „een paar van die bijzondere witte handschoenen die een man in de zeventiende eeuw aan zijn toekomstige vrouw gaf op de dag van hun verloving. Niemand mocht daarna haar hand aanraken tot de bruiloft, haar echtgenoot moest de eerste zijn. Ik stelde dat als je die handschoenen in een vitrine bij Het Joodse bruidje zou leggen, ze boekdelen zouden spreken over de waarde van aanraken in de zeventiende eeuw – en hoezeer dat verschilt van eigentijds gedrag in het Westen.”

Een fraai verhaal, maar met geen enkele relatie tot de werkelijkheid. Allereerst kende men in de zeventiende eeuw het begrip ‘verloving’ niet. In rijke kringen begon de huwelijkssluiting met een gang naar de notaris, waar de wederzijdse ouders hun afspraken lieten vastleggen over hun financiële bijdragen aan zoon en dochter. Beschikten de ouders niet over noemenswaardige bezittingen, dan bleef deze gang achterwege. Als de jongelui het eens waren geworden en de ouders instemden met het huwelijk, dan werd in het stadhuis door de ‘Commissarissen van huwelijkse zaken’, in het bijzijn van vier getuigen, een officiële akte van ondertrouw vastgelegd. Vervolgens werd het huwelijk op drie achtereenvolgende zondagen afgeroepen in de kerk, de zogeheten ‘geboden’.

Tot de gebruikelijke geschenken die de bruid van de bruidegom ontving bij het trouwen, hoorden een paar mooie handschoenen, vaak een hoeveelheid kant en een juweel. De Amsterdamse keur van 1655 stelde ook paal en perk aan de prijs van dit juweel: het mocht niet meer kosten dan 5 procent van wat de jongeman aan goederen inbracht bij het huwelijk. Maar aangezien het in de rijkste families om enorme kapitalen ging, kon dat sieraad nog heel wat kosten.

Laat die witleren, geborduurde bruidshandschoenen uit de kostuumcollectie van het Rijksmuseum, die bovendien al zo’n veertig jaar uit de mode waren toen Het Joodse bruidje werd geschilderd, dus maar liever weg. Ze verdienen een beter verhaal dan die fantasie van Spalding.

Beveiliging

Of de kritiek van Julian Spalding op de inrichting van het Rijksmuseum terecht is kan ik niet beoordelen want ik heb het museum nog niet bezocht. Wat ik wel kan beoordelen is het niveau van de beveiliging. Een vriendin van mij was op weg naar de Bijenkorf om twee Japanse messen te ruilen toen ze besloot eerst een bezoek te brengen aan het Rijks. Zonder dat haar tas werd gecontroleerd heeft ze een rondgang kunnen maken langs de Rembrandts en de eregalerij. Iemand die kwaad wil kan dus zonder enig probleem een schilderij beschadigen. Ik weet wel dat je met een pen of potlood ook een schilderij kunt beschadigen maar dat een mes bij de ingang van een wereldberoemd museum niet in beslag wordt genomen vind ik verwonderlijk.