Column

McJobs

‘Het is zonder twijfel een van de effectiefste campagnes van een vakbond uit de zeer recente geschiedenis; de strijd van FNV Bondgenoten tegen flexibel werk. Na jaren vruchteloos protesteren bedachten de dames en heren van de grootste bond een nieuwe aanpak. Dat almaar groeiende aantal flexwerkers in Nederland kan niemand wat schelen, dachten ze, dus laten we hetzelfde doen als Amerikaanse politici en zórgen dat het de mensen wat kan schelen. We gaan dat flexwerk anders framen.’

Aldus Marike Stellinga afgelopen zaterdag in het economiekatern van deze krant.

Via De Taalkliniek ben ik betrokken bij de communicatie van FNV Bondgenoten en ik neem het compliment graag in ontvangst, maar ik heb toch ook een kanttekening. Die ‘dames en heren’ van de vakbond dachten helemaal niet dat het groeiend aantal flexwerkers ‘niemand iets kon schelen’, zij zagen dat deze ontwikkeling veel mensen juist wél iets kan schelen. Hebben werknemers ooit om een flexibeler arbeidsmarkt gevraagd? Nee, dat waren de werkgevers. Met termen als ‘ontslagversoepeling’, ‘versobering rechtspositie’ of ‘aanpassing ontslagrecht’ roep je weerstand op (zelfs vandaag nog!) en dus werden deze surrogaatbanen geframed als ‘flexwerk’.

Slim, want wie is er nu tegen flexibiliteit? Wie heeft tijdens een vergadering wel eens iemand horen pleiten voor een ‘rigide benadering’? Zelfs op de voorgedrukte complimentenkaartjes van de vakbond staat het: ‘Dank voor je flexibiliteit!’ Die losse werkkrachten worden de ‘flexibele schil’ van het werknemersbestand genoemd. Ook een slimme woordkeuze, want wat is nu een schil? Een vliesdun omhulsel, soms zo onbeduidend dat je ‘t gewoon opeet. Toch bedraagt die schil inmiddels 18 procent van de beroepsbevolking. Als om je sinaasappel een schil van 18 procent zit breng je ‘m terug naar de groenteboer. Of naar Wageningen, voor onderzoek.

Voor de grote meerderheid van die 18 procent is die flexibiliteit dus een eufemisme voor tweederangs arbeidsvoorwaarden, een pulpbaan, een kruimelbaan, een stiefbaan, een McJob, zoals de Amerikanen het noemen.

De VVD ziet liever dat mensen ‘de handen uit de mouwen steken dan hun hand ophouden’, maar dat laatste is precies wat die flexibilisering in de hand werkte: contractlozen komen aanzienlijk vaker in een uitkering terecht en bovendien doen ze niet volwaardig mee, omdat ze terugschrikken voor investeringen. Zo wentelen ondernemers hun risico’s af op de samenleving.

Het weektarief voor de huur van een auto is niet zeven keer het dagtarief, een gezinsfles cola is voordeliger dan blikjes; flexibele producten zijn duurder dan minder flexibele, behalve op de arbeidsmarkt. Hoe komt dat? Vermoedelijk omdat contractlozen slecht georganiseerd zijn. Enter de vakbeweging. Maar de vakbeweging heeft het niet makkelijk in de media. Focust een bond op vaste werknemers dan typeert dat hun anachronistische, conservatieve karakter, richt zij zich op flexwerkers, uitzendkrachten, en zzp’ers, dan wordt het afgedaan als opportunistische heroriëntatie van een organisatie in ademnood.

Dat FNV Bondgenoten ‘flexwerk’ vervangt door ‘onzeker werk’ is geen trucje om van iets feestelijks iets onaangenaams te maken, zoals Stellinga suggereert, maar de keuze om het beestje bij zijn ware naam te noemen. Dat hadden zij eind jaren tachtig beter direct kunnen doen, toen de discussie op gang kwam, maar ja, toen droeg heel Nederland een krijtstreep, ook ‘links’, en deed zijn best om de taal van het bedrijfsleven te spreken. Werden overheidsdiensten ineens een ‘product’ en de burger een ‘klant’. Was ‘zekerheid’ ineens helemaal uit en ging ‘flex’ het helemaal maken. Links is bezig zijn eigen taal terug te vinden, en de reframing van flexwerk is daar een voorbeeld van.

‘Bescherm de flexwerker meer en minder mensen zullen een baan vinden,’ meent Stellinga. Tja, maar dat Marike Stellinga voor een nulcontract bij deze krant aan de slag was gegaan, lijkt mij dan weer onwaarschijnlijk. Hoogvliegers of laagvliegers, iederéén wil zekerheid. Misschien moeten de dames en heren van de vakbond zich eens buigen over de vraag wat het woord ‘baan’ eigenlijk betekent.

Jan Kuitenbrouwer is schrijver en directeur van de Taalkliniek (taalkliniek.nl).