Jongleren met oude meesters

In het Engelse Houghton Hall is tijdelijk de collectie schilderijen teruggekeerd die er drie eeuwen geleden ook hing, maar daarna naar de Hermitage in St. Petersburg verhuisde.

De tentoonstelling ‘Houghton Revisited’ in Houghton Hall, met in het midden Carlo Marrata’s portret van Paus Clemens IX uit 1669 Foto John Bodkin

‘Provenance’. In kunstcatalogi bungelt het als kopje meestal onderaan de gegevens over een kunstwerk. Je leest er de ‘herkomst’ van een schilderij, alsof dat niet het atelier van de kunstenaar zou zijn. Bedoeld is de reisgeschiedenis van het kunstwerk, van eigenaar naar eigenaar, soms met intrigerende hiaten die de beroeringen van de geschiedenis doen vermoeden, maar meestal eindigend in een lange stilstand: de naam van een museum waar het schilderij zijn definitieve thuis heeft gevonden.

In Houghton, een dorpje in de noord-westhoek van het Engelse Norfolk, zo’n 150 kilometer ten noorden van Londen, is nu een expositie te zien waarin een bijzondere ‘provenance’ centraal staat. Begin achttiende eeuw liet Sir Robert Walpole (1676-1745) er een country house in palladiaanse stijl optrekken, speciaal om er zijn omvangrijke collectie schilderijen tentoon te stellen. Het was een van de meest besproken verzamelingen van de achttiende eeuw. Na zijn dood liet Walpole niet alleen huis en kunstwerken na, maar ook een enorme schuld. Om daar in één klap vanaf te komen gooiden de zonen uiteindelijk de hele collectie in de uitverkoop. Niemand minder dan Catharina de Grote liet er haar begerige ogen op vallen en ze kocht het hele handeltje voor 40.000 Engelse pond, een bedrag dat nu een economische waarde van honderden miljoenen betekent. Meer dan tweehonderd schilderijen verhuisden – onder protest van Engelse kunstliefhebbers, ook toen al – naar Catharina’s Hermitage in St. Petersburg. De schilderijen die revolutie, Stalins behoefte aan vreemde valuta’s en de Wereldoorlogen hebben overleefd, zijn daar nog steeds te bewonderen.

Maar nu is in Houghton Hall iets ongelooflijks gebeurd. Meer dan zeventig schilderijen zijn tijdelijk teruggekeerd naar het huis dat voor ze werd ontworpen: Houghton Revisited heet de tentoonstelling, met als ondertitel ‘The Walpole Masterpieces from Catharina the Great’s Hermitage’. Het is de ultieme samenvatting van wat kunsthistorici onder ‘provenance’ verstaan: de meesterwerken van twee verzamelaars, niet van de kunstenaars.

De eerste premier

Sir Robert Walpole wordt meestal opgevoerd als de eerste Prime Minister van het Verenigd Koninkrijk, hoewel die positie formeel nog niet bestond toen hij de eerste helft van de achttiende eeuw bijna onafgebroken Engeland regeerde. Hij was de eerste die als regeringsleider Downing Street 10 bewoonde, het adres maakt de premier. Als aanvoerder van de Whigs, voorloper van de huidige Liberal Democrats, wist Walpole decennialang de opponerende Tories buiten de macht te houden. De Whigs propageerden de constitutionele monarchie, met zo weinig mogelijk invloed van de vorst, maar dat weerhield Sir Robert er niet van zelf als een Zonnekoning te leven.

Walpole was ongetwijfeld een van de meest gepassioneerde collectioneurs van zijn generatie, in ieder geval de meest hebberige. Hij kende geen maat. Schilderijen waren zijn voornaamste liefde en zoals zoveel verzamelaars kwam hij al snel ruimte tekort. Niet alleen Downing Street 10 hing vol, ook de niet onaanzienlijke huizen van zijn zonen in Londen.

Zijn smaak was die van zijn tijd, met een voorkeur voor zeventiende-eeuwse kunst uit Italië en de Lage Landen met een flamboyante toets. De inventarislijst zou nu nog elk museum jaloers maken: Rubens, Van Dijck, Rembrandt, Hals, Teniers, Velázquez (een prachtige voorstudie voor zijn portret van Paus Innocentius X, later beroemd door de variatie die Francis Bacon erop maakte), Claude Lorrain, Poussin. Allemaal gearriveerde namen en ook toen al afzichtelijk duur. Het verzamelen lijkt niet louter door smaak ingegeven.

Colen Campbell, avant-garde architect van zijn tijd, ontwierp op het familielandgoed in Norfolk een nieuw landhuis. Niemand minder dan William Kent – de mislukte schilder die een fenomenale carrière maakte als ontwerper van interieurs, meubels, folly’s en landschapsparken – ontwierp de hal, salon, het trappenhuis en de kamers. Op Kents werktekeningen is zelfs de precieze plaatsing van de schilderijen zorgvuldig aangegeven. Er kan geen misverstand over bestaan, huis en inrichting zijn ontworpen rondom de schilderijencollectie.

Hoekje van de slaapkamer

De aantrekkelijkheid van Hougton Revisited bestaat niet uit de afzonderlijke schilderijen, hoe mooi sommige ook zijn. Neem de adembenemende Poussin De heilige familie met Elisabeth en Johannes de Doper (1655), waarin het classicisme van de Franse grootmeester een zeldzaam zachtmoedige uitwerking krijgt. Dichter bij Rafaël is hij nooit gekomen, maar de charme ervan in deze setting is toch vooral dat het in een hoekje van de slaapkamer hangt, nauwelijks zichtbaar achter het grote hemelbed. Een Poussin voor het slapengaan, je kunt je een ongelukkiger welterusten voorstellen.

Iedere kamer heeft zijn eigen thema. Zo is er een intieme portrettengalerij waar beroemdheden naast onbekenden hangen: architect Inigo Jones, geschilderd door Van Dijck, kijkt er verbaasd in de geheimzinnige ogen van een onbekende jongeman door Frans Hals. Een hele kamer is ingericht ter eer en meerdere glorie van Carlo Maratta (1625-1713), wiens roem de achttiende eeuw nauwelijks heeft overleefd, maar wel de enige min of meer eigentijdse keuze van Walpole. Opmerkelijk is het gemak waarmee klassieke mythologie en bijbelse verhalen worden gecombineerd. De Whigs waren fervent anti-katholiek , maar de zoektocht naar schoonheid weerhield Walpole er niet van Madonna’s met kind of heiligenlevens te verzamelen. Hij verzamelde grote schilders, niet hun geloof.

Kent heeft de schilderijen overduidelijk geënsceneerd. Decoraties en behang zijn aangepast aan de schilderijen. Huis en collectie vormen tezamen een Gesamtkunstwerk en laten zich ook zo bekijken. Het is inderdaad de vraag wiens meesterwerken dit zijn, want de eigenheid van de schilders wordt met het grootste gemak onderhorig gemaakt aan de enscenering en het huis. En misschien is deze vraag nog pijnlijker: had de ‘provenance’ niet in Houghton moeten eindigen?

In de Hermitage is Walpoles collectie op kunsthistorische gronden uiteengevallen: de Italianen bij de Italianen, keurig op eeuw en school, Hollanders bij de Hollanders. In Houghton wordt een manshoog portret van Thomas Wharton door Anthonie van Dijck geflankeerd door stillevens van Michelangelo da Campidoglio, alsof Kent het portret van de Engelsman wil omringen met een vleugje Italië, de geur van druiven en meloenen.

Houghton ademt de sfeer van een Italiaans palazzo, zoals die in de twee voorafgaande eeuwen door pausen en kardinalen werden ingericht. Kent was verliefd op dat Italië, dat hij als gids van jonge aristocraten op Grand Tour keer op keer had kunnen opsnuiven. Terug in Engeland lieten zijn aristocratische vrienden hem de herinnering daaraan vormgeven. De Engelse landhuizen van de achttiende eeuw zijn een soort souvenirs, waaraan de verzamelde schilderijen en beelden onderhorig waren. In die zin is Houghton geen museum zoals we dat nu kennen, maar als geheel een installatie, een kunstwerk waarin zeventiende-eeuwse meesterwerken zijn gerecycled.

Dat maakt Hougthon Revisited tot zo’n belangrijke tentoonstelling. Het is meer dan een expositie met meesterwerken uit de Hermitage, zoals we die van het Amsterdamse filiaal kennen. In Houghton is een verloren kunstwerk gerestaureerd, met behulp van schilderijen die we in St. Petersburg (of Amsterdam) om zichzelf kunnen bewonderen, maar die hier vooral het jongleren ermee van Kent en zijn opdrachtgever Walpole laten zien.

Houghton Hall is een herinnering aan een ver Italië. Heel ver voor Sir Robert, die zelf nooit op Grand Tour ging. Hij kocht de herinnering die hij nooit beleefde. William Kent kon hem die leveren. Toen de schilderijen naar Catharina de Grote vertrokken, bleef niet alleen een leeg landhuis achter, maar ook een ontmantelde droom.

‘Houghton Revisited’. T/m 29 sept in Houghton Hall, Norfolk. Inl: houghtonrevisited.com