Fraude vrijwel altijd onbestraft

Naar schatting zijn er duizenden gevallen van faillissementfraude per jaar. Tot vervolging komt het zelden, tot frustratie van veel slachtoffers.

Soms lukt het wel. Na een omvangrijk onderzoek van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (Fiod) werd beroepsfraudeur Jos Wagemans vorig jaar veroordeeld tot anderhalf jaar celstraf wegens faillissementsfraude.

Ruim zestig bv’s gingen onder zijn beheer op dubieuze wijze failliet. Wagemans had er zijn specialiteit van gemaakt bijna failliete bv’s op te kopen, kaal te plukken, het geld naar eigen rekeningen te sluizen en de schuldeisers met lege handen achter te laten.

Representatief is de zaak van Wagemans niet. Fraudeurs zoals hij zijn er genoeg, maar doorgaans blijft faillissementsfraude ongestraft. Naar schatting zo’n 2 procent van de fraudes wordt strafrechterlijk aangepakt. Het aantal zaken waarbij faillissementsfraude in het spel is, loopt jaarlijks in de duizenden. De economische schade beloopt volgens justitie zo’n 1,7 miljard euro per jaar.

Door de crisis ligt het aantal faillissementen op recordhoogte, vorig jaar ruim 11.000. Volgens gedateerde onderzoeken is bij een kwart tot een derde van de faillissementen sprake van fraude. „En ik heb geen aanwijzingen dat het nu anders zou zijn”, zegt Tineke Hilverda, hoogleraar faillissementsfraude aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Hilverda is tevens raadsheer is bij het gerechtshof Den Bosch. Ze maakt zich zorgen. „We moeten er voor zorgen dat we geen Italië worden en dat de integriteit van het handelsverkeer op orde is.”

Niet iedere faillissementsfraudeur is er een van het kaliber Wagemans. Vaak betreft het ‘kleine’ zaken waarbij een ondernemer bijvoorbeeld een greep uit de kas doet vlak voordat zijn zaak failliet gaat, een aantal computers meeneemt of de auto die voor 20.000 euro in de boeken staat voor 5.000 euro aan zijn broer verkoopt. Dikwijls ontbreekt bij het faillissement een fatsoenlijke administratie van de bv (op zich al strafbaar) – dat maakt onderzoeken moeilijk.

Uit de samenleving klinkt al jaren de roep om een hardere aanpak. De verantwoordelijk minister antwoordt steevast er werk van te maken, maar vervolgens verandert er weinig. Maar volgens Hilverda zit het ministerie van Veiligheid en Justitie sinds eind vorig jaar op de juiste lijn en wordt „de ernst echt beseft”.

Zo is er nieuwe wetgeving op komst en heeft het ministerie een TRACK-afdeling ingericht die toezicht houdt op het misbruik van rechtspersonen. Er komt een bestuursverbod, waarmee een fraudeur voor vijf jaar kan worden verboden bedrijven op te zetten of te besturen.

Tevens is een Centraal Meldpunt Faillissementsfraude in het leven geroepen en zullen bij de dit jaar opgerichte Nationale Politie financieel-economische afdelingen komen. „Maar het duurt nog even voor die er zijn”, zegt de hoogleraar. „Al met al een flinke stap vooruit, maar het is nog niet genoeg.”

Qua opsporing behoort de Fiod de ingewikkelde zaken te doen en de politie relatief eenvoudige. Hilverda ziet dat de Fiod een inhaalslag heeft gemaakt op het gebied van gecompliceerde, spraakmakende zaken, zoals die van Wagemans en die tegen zakenman Joep van den Nieuwenhuyzen, waarin de rechtbank morgen uitspraak doet. Jaarlijks onderzoekt de Fiod veertig zaken. Dat moet omhoog vindt Hilverda. „De capaciteit is nog onvoldoende.”

Dat geldt al helemaal voor de naar schatting duizenden kleinere zaken. Die zouden door de politie moeten worden aangepakt, maar dat gebeurt nauwelijks. Alleen het korps Haaglanden maakt er nu serieus werk van. Daar worden dit jaar in totaal veertig kleine zaken aangepakt, „gerechercheerd”. De politierechter behandelde er in juni nog twintig.

Het lijkt een druppel op een gloeiende plaat. Als bij zeker een kwart van de faillissementen fraude in het spel is, dan zijn er 2.500 gevallen per jaar. Maar zeker weten doet men dat niet, vanwege gebrekkige statistieken. Curatoren die faillissementen afwikkelen, doen vaak geen aangifte. En cijfers over het aantal aangiftes, voor de rechter gebrachte zaken en veroordelingen zijn er niet. „De organisatie is ingericht op onderzoek, niet op het beschikbaar hebben van cijfers”, zegt de woordvoerder van het Openbaar Ministerie.

„Het is kwalijk dat er niet meer werk wordt gemaakt van het in kaart brengen van cijfers en gegevens”, vindt voormalig Fiod-rechercheur Jan van Koningsveld. „Nu is het een blinde vlek.”

Van Koningsveld richtte in 2011 het Offshore Kenniscentrum op en ontwikkelt momenteel voor de politieacademie een lesprogramma over faillissementsfraude. „Voor het effectief ontwikkelen en monitoren van beleid moet je wel weten waar je statistisch staat.”