Eerste stap naar gentherapie voor downsyndroom

Door de nieuwe stap kunnen handicaps als gevolg van het downsyndroom mogelijk worden verlicht. Foto ANP / Robin Utrecht

De eerste stap is gezet naar genentherapie voor mensen met het syndroom van Down. Dit schrijven onderzoekers van de University of Massachusetts vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Nature. Dat betekent dat in de toekomst wellicht geestelijke en lichamelijke handicaps als gevolg van het syndroom kunnen worden verlicht.

Het downsyndroom ontstaat als kinderen worden geboren met drie (in plaats van twee) chromosomen-21 in hun lichaamscellen. Daardoor zijn de chromosoom-21-genen anderhalf keer zo actief. Genen coderen voor eiwitten. Die hogere dosis eiwitten is ziekmakend. Downpatiënten worden vaak jong dement en verouderen snel.

Het stilleggen van één van de drie chromosomen-21 is een droom van downonderzoekers. Dat is wat de onderzoekers deden. Ze plaatsten een gen in cellen met drie chromosomen-21. Dit gen maakt een spinnenwebachtig molecuul dat één van de drie chromosomen-21 in de cel omhult. Daardoor verliest het zijn functie.

Onderzoekers manipuleerden XIST-gen

Dat spinnenwebmolecuul is niet nieuw. Het heet XIST en legt bij vrouwen in elke cel één van beide X-geslachtschromosomen stil. Vrouwen hebben XX; mannen hebben XY. Het menselijk leven is echter afgestemd op één actief X-chromosoom. De onderzoekers manipuleerden het XIST-gen zodat het in plaats van een X-chromosoom een chromosoom-21 stillegt. Daarmee krijgt 50 jaar fundamenteel onderzoek naar de werking van X- en Y-geslachtschromosomen opeens een toepassing in een ander vakgebied.

Het gebeurde allemaal in een weefselkweekbakje, waarin cellen groeiden die ontstonden uit stamcellen van een downpatiënt. Tot nu toe duurt de ontwikkeling van een gentherapie al snel twintig jaar. Met de techniek kan de afzonderlijke bijdrage van alle genen op chromosoom-21 aan het downsyndroom worden onderzocht. Mogelijk komen daar eerder toepassingen uit voort.