Del Toro zijn monsters bemint

De Mexicaanse regisseur Guillermo del Toro is de ultieme fanboy Zijn kunstfilms en blockbusters kenmerken zich door hun unieke monsters Na twee gestrande megaprojecten is hij terug met jongensdroom Pacific Rim

Redacteur Film

Reuzenrobots versus megamonsters: Guillermo del Toro (48) brengt het, met zijn kenmerkende enthousiasme, als zijn droomproject. Of tekent het de deplorabele staat van Hollywood dat de briljante Mexicaan in vijf jaar tijd alleen zo’n licht infantiel project van de grond krijgt?

Del Toro maakt er het beste van. Met wagneriaanse worstelingen tussen torenhoge golven en ijsbergen, met reuzenreptielen en gigarobots die elkaar met containerschepen om de oren slaan. Awesome, is het woord dat de fanboy die Del Toro bedient én is dan bezigt. Want Pacific Rim past wel degelijk in het straatje van deze kolos met zijn obsessie voor monsters. En na vijf jaar vruchteloos werken aan The Hobbit en At The Mouth of Madness – Victoriaanse geleerden vinden bevroren aliens op de Zuidpool – is het gewoon tijd dat er weer eens iets lúkt.

Guillermo del Toro beantwoordt aan alle clichés van de fanboy: een obese, joviale kindman met vlasbaardje die – hoewel miljonair – rondsloft in vale T-shirts, links en rechts berenknuffels, high fives en boksen uitdelend. Zo trof ik hem in 2009 althans in Londen, waar elk interview door zijn praatzucht was uitgelopen: „Geweldige man, hij drijft me tot waanzin”, kreunde zijn pr-dame. Dus spraken we in de taxi naar Heathrow – hij was op weg naar Nieuw-Zeeland waar hij werkte aan The Hobbit. Onderweg schuimde hij de antiquariaten van Cecil Court af op jacht naar een vluchtplan van een Duitse bommenwerper voor zijn Bleak House, een tweede huis in Los Angeles, volgestouwd met filmmonsters, Victoriaanse horrorboeken, antieke circusspullen en andere prullaria.

Del Toro was in Londen om zijn romanserie The Strain te promoten, waarin hij de naar zijn mening bloedsaaie vampier van nu – een bleke melancholicus die hij herleidde tot de 19de-eeuwse romancier Polidori – hoopte te vervangen door een Nosferatu-achtige, seksloze glibber met een angel in plaats van snijtanden. Een vampier moest eng zijn, vond hij: zo ontwierp hij voor zijn film Blade II vampiers met uitschuifkaken en een afzichtelijke vagina dentata.

Del Toro bemint zijn monsters: hij analyseert hun psychologie en fenomenologie met encyclopedische kennis en academische diepgang. En identificeert zich met ze. Hellboy, zijn satanisch ogende, onhandig stuntelende superheld: dat ben ik, zei hij. In Pan’s Labyrinth komt een gruwelijk monster met flubberhuid voor, kwijlend van honger boven een dampend diner: een reflectie van het dieet dat hij in die tijd volgde.

‘s Werelds meest fantasieloze man

Zijn ambitie is die van Victor Frankenstein: monsters scheppen die voortleven als horroricoon. Daarin lijkt hij erg op generatiegenoot Tim Burton, net als hij een telg uit de pragmatische middenklasse – Del Toro noemde zijn vader, autodealer in Guadalajara, ooit liefkozend „de meest fantasieloze man ter wereld”. Al wordt de fantasie van Del Toro gevoed door devoot katholicisme: zijn ‘godsdienstwaanzinnige’ oma is hij dankbaar omdat ze de martelarencultus van extatisch bloedvergieten „in zijn systeem injecteerde”, vertelde hij. Net als Tim Burton spelde hij als jochie fanzine Famous Monsters of Filmland en filmde in zijn achtertuin zijn eigen gruwelen van papier-maché en latexschuim op Super 8.

Na de filmschool bestierde Del Toro jarenlang een studio voor special effects, toen maagdelijk terrein in Mexico. Zijn speelfilmdebuut Cronos, waarin vampirisme voor een grootvader een trieste verslaving is, was in 1993 een festivalhit die wereldwijd 21 filmprijzen oogstte. Alle stijlkenmerken van Del Toro waren al zichtbaar: broeierig amberlicht, insect- en reptielmotieven, Jeroen Bosch gecombineerd met quasi-Victoriaanse stoompunk. Het was een nieuwe, opwindende stijl en Hollywood lonkte: Del Toro vertrok met zijn jeugdliefde en zijn twee dochters naar LA – de rest van de familie volgde nadat zijn vader in 1998 voor 72 dagen werd gekidnapt.

Daar boekte hij succes met horrorfilms Mimic – over gemuteerde reuzeninsecten die mensen nadoen – en het tweedelige Hellboy. Meer prestige bezorgde hem de artistieke horror van The Devil’s Backbone (2001) en vooral Pan’s Labyrinth (2006), waarin gruwelijke kindersprookjes te verkiezen zijn boven de realiteit van Franco’s Spanje.

Zelf verwerpt Del Toro het onderscheid tussen zijn kunst- en spektakelfilm: alles speelt zich af in een toverdriehoek van horror, actie en psychologie, waar „goede smaak nooit een argument mag zijn”. Zijn debuut Cronos werd alleen in Mexico neergesabeld, door critici die alleen politiek-correct realisme wensten. Nu is Mexico als filmland in opkomst, met tal van regisseurs die in zijn kielzog het fantastische omarmen.

Vier jaar geleden schepte Del Toro in de taxi op dat hij tot Hollywoods eredivisie behoorde: James Cameron, Steven Spielberg en Peter Jackson waren vrienden en vroegen om advies. Maar dat hij vijf jaar droog stond, betekent toch dat hij wat treetjes lager staat – al ligt dat ook aan Del Toro’s neiging zijn energie over te veel projecten te verdelen: monsters ontwerpen, romans en essays schrijven, scripts bijwerken, films regisseren en produceren, studio’s oprichten. Je hoopt dat Pacific Rim slaagt: in Amerika opende hij matig, wereldwijd heel goed. Omdat Del Toro een van de weinigen is die een persoonlijke stempel kan drukken op een blockbusterfilm.