De pastoor

Serie over 7 dames en een man die voor hun eigen veiligheid achter een cijferslot wonen. Met in de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

‘Alweer een nieuwe man”, schrikt Annie. „Kijk maar.” Ze wijst op een nieuwe naam op de deur van kleinschalige woongemeenschap De Tulp. Inderdaad, onderaan de zeven mevrouwen op de bewonerslijst, staat ‘de heer Wulf’.

„Arme Wulf”, zucht Annie. „Wordt op de valreep nog voor de zeven geiten geworpen.”

„Mevrouw Niterink zit buiten”, zegt de zwarte uitzendbeauty die in de pannen roert.

„Niemand mag naar buiten!”, schreeuwt mevrouw Pijnenburg, vanachter haar roddelator.

„Ssst”, sist mevrouw Map en gebaart bezwerend naar de flatscreen,waar vioolspelende dames in hoepeljurken om André Rieu heen walsen. „Luister!”

„Hoe heb je me weten te vinden!”, roept mijn moeder verbaasd. Ze zit op de windstille binnenplaats in de brandende zon met haar jas aan. „Heb je het niet warm? Waarom ga je niet onder die parasol zitten?”, vraag ik.

Er komt een man met een wit petje op naast ons zitten. Ballerig type, rond brilletje, geel poloshirt met groen krokodilletje, rode V-hals trui bungelt nonchalant op zijn rug, de mouwen losjes vastgeknoopt op zijn borst, blote voeten in dure instappers.

Halverwege de zestig schat ik hem.

Hij kijkt vreemd uit zijn ogen. Of een goedgeconserveerde zeventiger. Is het de nieuwe bewoner? Of toch de zoon van..?

„Geen domme fouten maken nu”, fluister ik mezelf in. Het zou ook zomaar de geriater zelf kunnen zijn.

Dan verraadt hij zichzelf. De manier waarop hij zwaait naar mensen die voorbij lopen.

Hij ziet dat ik hem doorheb. „Wat moet je anders onder deze omstandigheden, dan wuiven”, verklaart hij.

„Bent u meneer Wulf?”, vraag ik.

„Nee”, zegt Annie. „Hij zit hier al een tijdje, hij woont hiernaast in De Hyacint.

„Ik woon in Bennebroek”, zegt de man.

Vorig jaar, bedenk ik mij, reed hij nog in zijn leaseauto naar de golfbaan en sloeg hij een balletje met andere internisten. „Wat deed u voor werk?”, vraagt Annie.

„Werk?”, zegt-ie, „ik heb altijd alleen maar een beetje gespeeld in Bennenbroek.”

„Kom Annie, kom moeders, we gaan naar binnen!”, roep ik even later nogal opgewonden. Dat komt omdat ik door het raam een glimp heb opgevangen van de echte meneer Wulf. Dit moet je zien! De witte pet staat ook op. „Gaan we ons tussen het Bennebroekse volk begeven?”, vraagt-ie.

De dames hebben zich al wiegend rond de flatscreen met André Rieu gegroepeerd. Meneer Wulf zit er op zijn dooie gemak tussen, achter zijn krant. Hij lost een kruiswoordpuzzel op. Met een vanzelfsprekendheid alsof het al jaren zijn vaste plek is, zit hij uitgerekend in de stoel van mevrouw Wormerveer. (Waar alleen zij in mag zitten vanwege haar kunstknieën) .

„Hij voelt zich helemaal op zijn gemak en denkt dat hij hier al jaren woont”, zegt zijn vrouw/dochter/vriendin, die zijn huishoudster blijkt te zijn. Hij was pastoor en zij is veertig jaar geleden bij hem ingetrokken.

Wormerveer komt binnen, zegt niets en gaat in de stoel naast meneer Wulf zitten.

„Zit u wel goed”, informeer ik, „u kon toch nooit in zo’n lage stoel zitten?”

„Ik zit geweldig”, prevelt ze gelukzalig, „ik mag naast de pastoor zitten.”

„Houd je bek!”, gilt Pijnenburg.

„Ssst!”, doet Map, „ik luister!”

„Ik luister!”, bouwt Pijnenburg haar na. Meneer pastoor kijkt op van zijn krant en zegt: „Dat mens moet eens een goed pak slaag hebben!”