Bastaarden van de vrije seks

De jonge Franse regisseur Julien Gosselin krijgt op het Festival d’Avignon veel lof voor zijn toneelversie van Houellebeqs Elementaire deeltjes.

‘Les particules élémentaires’ in de regie van Julien Gosselin op het Festival d’Avignon Foto’s Simon Gosselin

De belofte van het Franse toneel heet Julien Gosselin. Met zijn 26 jaar is hij de benjamin van het Festival d’Avignon, waar doorgaans alleen de groten der groten hun producties mogen laten zien. Regisseur Stanislas Nordey brengt Handke, Nicolas Stemann bewerkte Goethes complete Faust in twee delen van samen negen uur, choreograaf Jérôme Bel maakt een voorstelling over het geheugen van het theater en Anne Teresa De Keersmaeker is er met haar choreografie Partita 2.

Van Gosselin had vorige week nog niemand gehoord. Stanislas Nordey, gastprogrammeur van dit 67ste festival, liet zijn oog op hem vallen. Als onbekende nieuwkomer wordt Gosselins bewerking van Les particules élémentaires, de schandaalroman van Michel Houellebecq uit 1998, dan ook niet gespeeld in het hart van Avignon, maar in Vedène. Ineens staat de Salle de spectacles van het slaperige plaatsje – tien platanen, één bar, één restaurant – zo’n vijftien kilometer ten oosten van Avignon, in de internationale theatrale schijnwerpers. Gosselin wordt bejubeld als de ontdekking van het jaar, als de voorhoede van een nieuwe generatie. ‘Frankrijk doet weer mee’, schrijft Le Monde, Le Figaro getuigt van een ‘coup de foudre’ voor Les particules élémentaires, bloggers roemen de durf en het talent van de elf jonge, grotendeels net afgestudeerde acteurs van de Compagnie Si vous pouviez lécher mon coeur, uit Lille.

En ze zijn ook goed, al doet al dat enthousiasme tegelijkertijd glimlachen: is het echt zo slecht gesteld met het Franse toneel? Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan deze voorstelling? Vier uur lang weten de elf spelers zonder probleem een kritisch, jong publiek (400 man, de helft twintigers) te boeien. Ze brengen monologen, dialogen, spelen ieder meerdere rollen, verbouwen voor je ogen een minimaal decor, gaan uit en weer in de kleren, spelen elektrische gitaar of piano. Ze schreeuwen, huilen en roken veel – echt of elektrisch. Ze praten voortdurend over seks – Houellebecq oblige – alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Toen diens roemruchte boek verscheen gingen de meesten van hen waarschijnlijk net naar de middelbare school, de jaren zestig kennen ze alleen van horen zeggen.

Toch koos Gosselin voor zijn gezelschap juist deze haatroman over de bastaarden van de vrije seks, een polemisch en buitengewoon ingewikkeld boek van een provocatief en visionair auteur met reactionaire trekjes. Een schrijver die wereldwijd op handen wordt gedragen, maar in eigen land op veel weerstand stuit. Maar Gosselin is een fan van Houellebecq, eiste van de acteurs dat ze zijn oeuvre lazen om de strekking van zijn werk te begrijpen, zijn toon en ritme te leren kennen. Waarom teruggrijpen op de Grieken of de mythologie als je een grandioze recente tekst hebt die het heden bij zijn lurven pakt? Voor Gosselin moet toneel „documentair” zijn, „een directe metafoor voor het nu”, niets meer en niets minder – met zo’n visie is er inderdaad geen betere auteur dan Houellebecq.

Troebele tijden

„Wij leven vandaag in een heel nieuwe tijd”, begint een vrouwenstem in het donker, „maar wij kijken niet neer op de mens van wie wij afstammen, wij weten wat wij hem verschuldigd zijn.” Met een knal gaat het licht aan, even denk je dat het Houellebecq zelf is, dertig jaar jonger, die daar in zijn eeuwige parka, met zijn sigaret tussen wijs- en middelvinger, het begin van zijn boek voordraagt. „Dit is het verhaal van een man die het grootste deel van zijn leven in West-Europa leefde, in het tweede deel van de twintigste eeuw. Hij leefde in ongelukkige en troebele tijden. Het land waar hij was geboren tuimelde langzaam maar onontkoombaar in de categorie van arme landen.”

Het publiek lacht. Herkenning. Die band met het publiek blijft vier uur lang bestaan.

Elementaire deeltjes, zoals de Nederlandse vertaling luidt, is complex; het boek presenteert een staalkaart aan onderwerpen, bespreekt kwantummechanica, het feminisme, seksuele misère, racisme, abortus, het communisme en het materialisme, maar gaat vooral over het dramatische echec van de jaren zestig en de vernietigende gevolgen daarvan voor de samenleving. Die gelaagdheid vat Gosselin in een eenvoudig, maar effectief decor: een vlakke vloer van grastegels, met aan drie kanten een iets verhoogd smal podium, waarop een paar banken, tafels, stoelen en muziekinstrumenten. Gespeeld wordt er op het gras. Webcams projecteren hun beelden levensgroot op de achterwand, lichteffecten en computergestuurde elektronische muziek doen de rest.

Die minimale middelen sorteren maximaal effect. „Ik ben geboren in een desastreuze tijd voor het toneel”, zeg Gosselin in een voorbespreking. „Ik reken erop dat ik voorlopig niets verdien. Maar als je wacht op een budget, kun je wachten tot je een ons weegt. Het toneel heeft het moeilijk, zoals iedereen in deze crisis. Ik vind het nog geweldig dat de staat ons geld geeft in een wereld met zoveel armoede en werkloosheid.”

De rode lijn in het stuk is het leven van twee halfbroers, slachtoffers van hun egoïstische, op eigen genot gerichte soixante-huitard ouders: Bruno, een door seks geobsedeerde docent, en Michel, een autist, maar ook een briljant bioloog gespecialiseerd in DNA en kloontechniek. Bruno is een macho, met ontbloot bovenlijf, een Ray Ban en cowboylaarzen, Michel is onhandig, niet in staat zich te uiten, met keurige schoenen, een gekreukeld jasje. Als Bruno zijn broer geëmotioneerd vertelt hoe hun oma aan haar einde kwam, reageert Michel met een biologische verhandeling over verrotting.

Gosselin blijft trouw aan Houellebecq en trouw aan de tekst. Hij volgt het boek, kiest precies de kernzinnen en laat sleutelscènes zien. In hoog tempo vertelt hij het verhaal, legt hij accenten en verspringt van de een naar de ander, visueel virtuoos. Houellebecqs teksten worden, hardop uitgesproken, nog beter, zeker omdat de vele sociologische passages eruit zijn gelaten. Zijn onderkoelde humor wordt nog scherper.

Per definitie geschikt voor toneel en ook hilarisch vormgegeven zijn de romanscènes die zich afspelen in de hippiekolonie aan de Zuid-Franse kust, seks onder het mom van zelfontplooiing, de acteurs zijn er op hun best. De geile hippiemoeder die niets liever zou doen dan ook haar zoons initiëren, de sensuele dans van de coole zoon van de sekteleider op Nights in white satin – ze zijn onvergetelijk. Ook Houellebecqs beroemde leuzen, ‘De toekomst zal vrouwelijk zijn’ en ‘De mutatie zal niet geestelijk zijn maar genetisch’, passeren de revue en worden groot op het scherm geprojecteerd. Gosselin wil dat zijn publiek goed begrijpt wat hij bedoelt, duidelijkheid voor alles, niets blijft een open vraag.

Dood en verderf

Na de pauze wordt de sfeer grimmiger: de vrijheid-blijheid van de jeugd maakt plaats voor desillusie, dood en verderf. Het ongelimiteerde egoïsme heeft geleid tot onnoemelijke wreedheid en waanzin, onderstreept door harde elektronische, soms psychedelische muziek. Het laatste woord is voor de gekloonde mens, onze gelukkige nazaten, over een eeuw wel te verstaan. In maagdelijk wit heffen zij bij wijze van hommage het glas op ons, de treurige, ontspoorde mens.

Tijdens het festival verscheen een nieuw essay van de populaire Franse filosoof Alain Badiou, Eloge du théâtre. In wezen houden filosofie en toneel zich met dezelfde vraag bezig, stelt hij, namelijk hoe je mensen zover krijgt dat ze anders naar hun leven kijken. In die opzet is Gosselin geslaagd. Na de staande ovaties bleef het publiek verdacht stil.

Het Festival d’Avignon duurt t/m 26 juli. Inl: www.festival-avignon.com