Wie reist, passeert de grens van wat hij weet

Wie thuis blijft, geeft zichzelf de rust en tijd om na te denken. Zou je zeggen. Maar nee. Ga hiervoor op reis.

Een vertrouwde omgeving is geestdodend.

Van de grote Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) is bekend dat hij zijn hele leven in zijn geboorteplaats Köningsberg heeft doorgebracht en het kleine stadje aan de Oostzee maar enkele keren verliet, en dan slechts een paar kilometer, het platteland op. Om in beweging te blijven, liep hij elke dag hetzelfde rondje door de stad, waar hij aan de universiteit doceerde. De dichter Heinrich Heine schreef dat de vrouwen van Köningsberg hun slingerklokken gelijkzetten op dat wandelingetje.

Kants beperkte geografische levensstijl weerhield hem er niet van wereldberoemd te worden. De kritische kanttekeningen die hij plaatste bij onze opvattingen over God, filosofie, de rede als instrument om dingen te willen en de rede om te reflecteren, en zijn beschouwingen over wat mooi is en wat niet – kortom: zijn wijze van naar de dingen kijken – gingen de hele wereld over en vormden menig wereldbeeld. Dat mag ook wel: Kant dacht in zijn ‘kritische periode’ meer dan tien jaar na over zijn denksystemen

De Duitse filosoof was geniaal. Maar hij nam ook de tijd om na te denken. Zelfs als je geniaal bent, is er tegenwoordig, vrees ik, bijna niemand meer die zich de tijd gunt na te denken. Er is thuis niet genoeg rust.

Gelukkig is er een alternatief voor het gebrek aan rust om thuis de boel te overdenken: de beweging van het reizen.

Natuurlijk, wie reist, moet vaak wachten. Die tijd valt te gebruiken om na te denken. Maar het grootste voordeel van de denkende reiziger is niet zozeer de tijd, maar het contrast. Wie reist, plaatst zichzelf tegen een andere achtergrond en ziet daardoor veel duidelijker wie hij is dan wanneer hij in een ruimte met honderd reserve-exemplaren van zichzelf staat. De thuisblijver wordt minder uitgedaagd over zijn positie na te denken – zowel maatschappelijk als intellectueel –, omdat hij zich veelal in een cirkel van gelijkgestemden bevindt. Want dat is vaak wat er gebeurt als we thuisblijven: we trekken ons terug in wat we kennen en zijn daar heel druk mee. Wie reist, zoekt juist de grenzen op van wat hij weet en kent.

Door af en toe de woorden of de gebruiken van een land niet te kennen, wordt snel duidelijk hoe moeilijk het is elkaar te bereiken en hoe willekeurig afspraken zijn die wij met elkaar hebben gemaakt over smaak en schoonheid. Het is die wetenschap die bevrijdend kan werken. De reiziger ziet al snel dat er veel meer kennis op de wereld is dan hij kan weten, en dat veel van die ‘kennis’ – de niet-wetenschappelijke variant – op basis van afspraken over smaak, moraal en status berust. Hetzelfde geldt dus voor je eigen ‘kennis’: in een vreemde omgeving blijkt veel daarvan leeg als een zeepbel te zijn.

De reiziger geniet in het buitenland geen achting op basis van zijn naam of beroep, zijn titel of woonplaats. Belangrijk wordt hoe iemand zich gedraagt. En hoe hij zich gedraagt, zegt ook veel meer over wie hij is. De reiziger wordt zo geconfronteerd met zijn zelfredzaamheid. Maar vooral met de gulheid van vreemden en het besef dat zelfredzaamheid altijd een ontoereikend mechanisme is als je het alleen moet doen.

Zelfredzaamheid tijdens het reizen betekent vooral: openstaan voor anderen, zowel in actieve als in passieve zin. Er kan geen twijfel over bestaan dat de reizigerservaring hem leert dat zijn vooroordelen vaak onzinnig zijn: wie reist, werpt zijn angsten af. In tegenstelling tot wat wij verwachten van vreemden zijn de meeste mensen die we tegenkomen vriendelijk en behulpzaam.

Reizen ontkracht niet alleen onze vooroordelen of angsten, maar ook onze geest. De reiziger heeft weer tijd om zich te vervelen. Of om te lezen. Wie leest er niet meer tijdens de vakantie dan thuis? Wie zegt niet: ‘Ik lees dat boek wel in de vakantie.’

De reiziger kan zijn voordeel doen met gelukkige ontmoetingen met boeken in de boekwinkels van Chang Mai, Lima of Auckland: hij kan lezen wat thuis wellicht ook te vinden is, maar daar merkt hij het niet op.

Vreemde huizen, andere gebouwen, vuige kroegen: de reiziger heeft allerlei nieuwe waarnemingen. Die wil hij indelen om ze te begrijpen. En begrip leidt tot kennis. Kennis leidt weer tot kracht. En kracht betekent dat je sterk bent, en wie sterk is, kan ambitieus zijn – en met zijn kracht en zijn ambities het leven proberen vorm te geven. (Grote woorden, ik weet het. Misschien is het beter als ik zeg: wie tot inzicht komt, ziet steeds beter wat hij moet verminderen, wat hij kan weglaten, minder en kleiner kan maken. Wie tot inzicht komt, ziet waarnaar hij vooral niet hoeft te handelen, gaat snappen wat werkelijk belangrijk is. Dat krijg je gedaan door weg te gaan.)

Op het gevaar af een cliché aan te boren: in veel delen van de wereld bestaat niet zoveel overvloed als hier. Maar op weinig plekken in de wereld als hier bestaat tegelijk ook zo’n grote kloof tussen die welvaart en het gevoel van persoonlijk welbevinden.

De aarde is groot en afstand schept perspectief, een andere manier om naar de dingen te kijken. Een manier van kijken die we nooit hadden verworven zonder weg te gaan. Niemand kan van bovenop de berg komen zonder ’m te beklimmen, op welke manier dan ook.

Tot slot: weggaan impliceert dat je kunt terugkeren. Wie veel heeft gereisd, neemt veel van de wereld mee naar huis. Walvissen, bergketens, rijstvelden: het bestaat allemaal in Nederland, in de hoofden van mensen. De reiziger kan de hele dag reizen zonder zijn stad te verlaten. Een wandelingetje door zijn dorp of buurt wordt een wandeling door Engeland of Nepal. In een klein, dichtbevolkt land kan ineens een giraffe op straat staan. Een verre woestijnreis kan voeren over rode straatklinkers.