Over geitenpad met watergeulen

De afzink van de Col de Sarenne boezemt het peloton angst in. Dalen is een vak apart. „Niet bang zijn en vertrouwen hebben in je materiaal.”

„Een geitenpad met allemaal van die watergeulen over de weg”, zo beschrijft oud-renner Steven Rooks hoe hij de afdaling van de Col de Sarenne aan de schaduwzijde van Alpe d’Huez kent. „Ik ben daar met groepjes toeristen verschillende keren naar beneden gegaan. Dat was niet echt een pretje. Nu dit stuk voor het eerst in de Tour is opgenomen, ga ik ervan uit dat de slechtste stukken zijn verbeterd. Je moet wel de risico’s kennen.”

Rooks (52) zit morgenmiddag thuis in Noord-Holland voor de tv als de renners na een eerste beklimming van de Alpe d’Huez even verderop bij de Col de Sarenne van 1.999 meter naar beneden suizen op weg naar een tweede beklimming van ‘de Nederlandse berg’, waarop hij in 1988 zegevierde. „Niet bang zijn en vertrouwen hebben in je materiaal. Dat is het belangrijkste”, stelt de voormalige nummer twee in Parijs. „En het is zaak dat de renners het parcours in hun hoofd hebben zitten. In de afdaling kun je het verschil goedmaken.”

Naast tijdrijden, sprinten en klimmen is het afdalen een specialisme. Schrijver en wielerfanaat Martin Bons schreef in aanloop naar de honderdste Tour het boek De kunst van het dalen. Daarin beschrijft hij de geschiedenis van de discipline, waarbij de scheidslijn tussen intense vreugde en diep verdriet flinterdun is. De Fransman Lucien Aimar won de Tour in 1966 als beste daler ooit. De Italiaan Fabio Casartelli overleed in de editie van 1995 na een val in de afdaling van de Col de Portet d’Aspet.

Bons raakte als wielerliefhebber in de ban van het dalen, toen hij in 2008 na de Col de la Croix-de-Fer door een profrenner voorbij werd geflitst. Hij was verbijsterd door de enorme snelheid. „Ik kijk sindsdien met bewondering, verwondering en jaloezie naar afdalers”, zegt Bons een paar uur voor hij zelf de afdaling van de achttiende etappe gaat verkennen. „Ik ben nooit boven de 67 kilometer per uur uitgekomen. Maar profs gaan soms ver boven de honderd. Hoe doen die renners dat? Wat zijn dat voor een mensen? Dat wilde ik weten.”

De schrijver sprak met specialisten en probeerde de geheimen van het dalen te doorgronden. ‘Angst is de slechtste raadgever’, zo leerde Bons van renners als Lucien Aimar, Frédéric Vichot en Rini Wagtmans. „Een goede daler denkt niet aan de gevaren. Maar dat neemt niet weg dat ze wel weten hoever ze kunnen gaan. Vichot werd een keer ingehaald door twee anderen. Hij was compleet verbaasd. Vichot kon zich niet voorstellen dat iemand harder kon dalen dan hij. Niet veel later vlogen die renners over de vangrail en lagen ze in een boom”, vertelt Bons. „Wie over zijn grens gaat, zal fouten maken.”

Volgens Bons wordt het belang van het dalen nog wel eens onderschat. Sterker nog; de schrijver is ervan overtuigd dat Joop Zoetemelk in 1980 na een cruciale afdaling op de Galibier de laatste Nederlandse Tourzege veiligstelde. „Zoetemelk reed op de 14de juli van dat jaar tijdens de koninginnerit in het geel, maar had aan de top meer dan drieënhalve minuut achterstand opgelopen. In een geweldige afdaling van de Galibier en de Télégraphe haalde hij zijn concurrenten weer in.”

De zege van Thor Hushovd twee jaar geleden in de dertiende etappe van Pau naar Lourdes was heroïsch. De Noorse zwaargewicht (80 kilo) was in de klim naar de Col d’Aubisque gelost door zijn lichtere medevluchters David Moncoutié en Jérémy Roy, maar in de afdaling vloog hij hen voorbij met een topsnelheid van 112 kilometer per uur. „Er zou natuurlijk een trui voor de beste daler moeten zijn”, vindt Martin Bons.

Steven Rooks, die in 1988 de bolletjestrui voor beste klimmer won, komt tot de conclusie dat hij in de afdaling nooit echt iets heeft gewonnen, noch verloren. „Klimmen was toch wel mijn specialiteit. Neemt niet weg dat ik afdalen leuk vond. Lef tonen. Kort de bochten aansnijden en gaan. Daar kan je echt een kick van krijgen hoor. Gelukkig is de ellende van het dalen me bespaard gebleven. Ik heb één keer een uitglijder gemaakt. Meer niet. Dat wij dat destijds zonder helm reden, is niet meer te bevatten. Te zot voor woorden.”