Krabbé kijkt onverminderd naïef naar zijn wielerhelden

Het wielrennen maakt schoon schip. Maar nog moeilijker dan het vinden van doping is het veranderen van de mores, betoogt Joep Scholten.

Meer nog dan een barkruk lijkt het zitten op een racezadel uit te nodigen tot een uitgesproken mening. Net als Tim Krabbé (Opinie & Debat, 13 juli) heb ik de pretentie me deskundige te noemen en precies te weten wat er schort aan de dopingbestrijding.

In de wielerroman Amarcordsneeuw komt de gestoorde mores van de wielersport nadrukkelijk aan de orde. Maar mijn boek verscheen in juni 2012, het USADA-rapport met onthullingen over Armstrong en consorten pas ergens in oktober. Natuurlijk genereren namen als Lance, Michael of Eddy publiciteitstechnisch meer lawaai dan de pseudoniemen Pim en Daniel. Alleen bij insiders zijn ze bekend. Eén van de personages scheerde gevaarlijk dicht langs de rand omdat hij topsport bedreef.

Het artikel van Tim Krabbé lezend vind ik het jammer dat hij is blijven hangen in die foute adoratie voor een sport waarin elkaar belazeren de norm zou zijn. Tim Krabbé laat zich kennen als iemand die met onverminderde naïviteit naar zijn wielerhelden wil blijven kijken. Mij lukt dat niet. Toen al niet en nu zeker niet.

Toch zijn er sterke parallellen tussen Tim Krabbé en mij. Allebei reden we wedstrijden op een racefiets, schreven we een boek over deze sport en hebben we een mening over doping. Maar de verschillen zijn des te groter. Terwijl ik jaren geleden al stopte met wedstrijden, rijdt Tim onverminderd in de Masterklasse en doet hij regelmatig een gooi naar een zogeheten platte prijs. Minstens zo schril is het contrast in de verkoop van onze boeken: hij schreef bestsellers, terwijl die van mij zijn doodgezwegen.

Wie kritisch schreef over wielerhelden kon tot voor kort rekenen op boze blikken. Of je werd genegeerd. Dat is jammer, want gezonde argwaan had wellicht slachtoffers gescheeld. Al toen ik fietste zag je sommige jongens langzaam verzuipen in bijvoorbeeld een amfetamineverslaving. De jongens met een zwalkend gemoed ben ik ze gaan noemen. Vooral voor hen kon de wielersport meedogenloos zijn.

Iedere kenner van het wereldje kan raden naar de oorzaak van de plotselinge dood van Marc de Meijer. In zijn Flandriashirt was hij een beul op de fiets, maar uiteindelijk aantoonbaar slachtoffer van de routine van een pikeurtje meer of minder. Nee, het was niet de amfetamine zelf. Slechts de gewoonte van het prepareren. De bel lucht in zijn aderen werd hem fataal.

Tim Krabbé beweert dat dit soort epododen niet bestaan. Hij zou gelijk kunnen hebben. Ik zat lang genoeg in de medicijnenbranche om te weten dat het verdomde moeilijk kan zijn om een oorzakelijk verband te leggen tussen bepaalde medicatie en onbegrepen overlijden. Nergens spreken deskundigen elkaar zo vaak tegen als in de medische wereld.

Dat juist medici veelal aanjagers waren in middelengebruik dat de fase van onderzoek nog niet ontstegen was is ronduit schandalig. De heren dokters gokten er op los, ze hoopten dat het met de bijwerkingen wel mee zou vallen.

Bij onbehandelbare aandoeningen is deze vorm van empirische geneeskunst nog te verdedigen. Gezonde sporters daaraan blootstellen is echter ronduit crimineel. Naar succes hunkerende wielrenners (en dat geldt feitelijk voor alle topsporters) blijken een gemakkelijke prooi. Hun verstand loopt achter bij hun atletische vermogens. Ze zijn bereid alles te doen en te geloven voor een maximaal resultaat. Het is deze gemoedsgesteldheid die hoge eisen verlangt van het begeleidende circus.

De sport is bezig met een schoonmaak. Eindelijk. Daarbij realiseer ik me wel dat het vinden van foute stofjes makkelijker is dan de beëindiging van fout denken en fout handelen.

Joep Scholten is schrijver en oud-wielrenner