Koopman en soldaat

Toch nog onverwacht snel heeft zich een fundamentele verschuiving in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid voltrokken. De combinatie VVD-PvdA heeft dankzij de gelukkige combinatie van wederzijdse stokpaardjes datgene voor elkaar gekregen dat in een kabinet met het CDA ten ene male zou sneuvelen. Van pure, ongebonden hulp voor ontwikkelingslanden uit het tijdperk van Jan Pronk zal vanaf nu waarschijnlijk nooit meer sprake zijn.

Het voorstel van Ministers Hennis-Plasschaert, Opstelten, Ploumen en Timmermans om jaarlijks 250 miljoen uit het budget van ontwikkelingssamenwerking ter beschikking te stellen aan militaire vredesmissies en internationale veiligheid bezegelt de nieuwe beleidsoriëntatie. Die beslissing volgt op een eerdere verschuiving, namelijk de inzet van hulp op „thema’s waar Nederlandse bedrijven veel kennis over hebben. De overheid boekt dan betere resultaten” – ik citeer hier de website van het departement. De nieuwe agenda, zoals dat tegenwoordig heet, combineert hulp, handel, investeringen en veiligheid.

Dat ontwikkeling en veiligheid nauw samenhangen, is evident. Aan de coördinatie, door minister Ploumen, van hulp en militaire inzet zitten dan ook vele positieve kanten. Het staat vast dat de gebieden met chronische honger bijna zonder uitzondering samenvallen met streken waar geen rechtsstaat heerst, terwijl burgeroorlogen en milities voedselproductie en handel onmogelijk maken. In dergelijke situaties is er soms een hele generatie van jonge mensen opgegroeid die niet beter weten dan dat wetteloosheid, geweld en corruptie de enige manier van overleven vormen. Denk aan gebieden als Oost Congo of Somalië. Pacificatie, dus het scheiden en ontwapenen van de partijen, het installeren van handhaving van rust en orde zijn essentieel: pas dan kunnen vrouwen weer op het land werken, gaan jongeren weer op school en kan er geld verdiend worden zonder de vrees voor diefstal of erger.

Het is ook logisch dit te verbinden aan een grotere rol voor het bedrijfsleven, vooral het lokale bedrijfsleven dan, al of niet ondersteund door investeringen van bedrijven in Nederland. Werkgelegenheid en economische groei kunnen slechts mondjesmaat door de overheid worden gecreëerd, al kan en moet die wel voorwaarden scheppen zoals rechtsgelijkheid en goed onderwijs. Ook kan de overheid tijdelijk belastinggeld gebruiken om productieve sectoren te bevorderen. Maar overheden in arme landen beschikken nauwelijks over vrij belastinggeld, omdat ze door belastingontduiking en armoede weinig inkomsten hebben – die vaak ook nog grotendeels opgaan aan de politieke elite, ambtenaren en militair vertoon. Daar is dus hulp nodig, maar niet om de gaten in de begroting te dichten.

Er is veel te zeggen voor de combinatie hulpverlener, koopman en soldaat. Maar het slagen ervan is geen sinecure. Allereerst moet voorkomen worden dat ontwikkelingssamenwerking een soort verkapt industriebeleid wordt om de export van veelbelovende Nederlandse sectoren te bevorderen. Niet het aanbod hier telt, hoe aantrekkelijk ook, maar de behoefte, en vooral de absorptiecapactiteit in arme landen. Zijn er werkelijk melkrobots nodig, of kan het ook met eenvoudiger melkmachines? Zijn er niet te veel barrières voor handel?

Iets vergelijkbaars geldt voor vredesmissies. Niet wat wij hier in de aanbieding hebben aan menskracht en materieel mag de doorslag geven. Ontwikkelingsgeld is niet bedoeld om bezuinigingen op defensie te verzachten. Het werkt ook andersom: als ergens behoefte is aan gewapend militair ingrijpen omdat de burgerbevolking klem raakt tussen elkaar bestrijdende groepen, dan moeten vredesmissies het mandaat krijgen. Te vaak hebben VN-blauwhelmen of militairen uit rijke landen de politieke opdracht gekregen om de vrede te handhaven door afzijdig te blijven. We hoeven niet ver in de geschiedenis terug te gaan voor de desastreuze gevolgen daarvan. Hoe meer voorwaarden vanuit het comfortabele pluche in het verre Den Haag, hoe moeilijker vredeshandhaving wordt.

Militaire inzet heeft dus altijd ook een politieke component. De partijen moeten niet alleen uit elkaar gehouden worden, maar ook moeten ze naar de onderhandelingstafel geleid worden. Daarvoor is bemiddeling essentieel, want geweld wordt juist dan gebruikt als woorden falen. Als het kabinet inzet op vredesmissies dan volgt daar direct uit dat de politieke en diplomatieke inspanningen navenant versterkt moeten worden. Bovendien, een beleid dat inzet op de driehoekscombinatie koopman, militair en hulpverlener vereist meer autonomie, meer ruimte voor een inschatting van deskundigen ter plaatse en een sterke inzet op internationale coördinatie in het kader van de VN en de NAVO. Dit alles strookt niet met de sterke gevoelens in de Kamer omtrent het in aantal en in sterkte terugbrengen van Nederlandse ambassades. Anders gezegd, het lijkt op korte termijn een slimme zet van de coalitie om bedrijfsleven en defensie structureel te verbinden aan de ruime geldpot van ontwikkelingssamenwerking, maar op lange termijn zou dit wel eens veel minder lucratieve bezuinigingen kunnen opleveren. Een effectief evenwicht tussen hulp, vredeshandhaving en bedrijfsleven vereist voldoende en geschoolde diplomatieke posten met uitstekende lokale kennis. Alleen ter plekke kan de nieuwe ‘driehoek’ kritisch gevolgd worden, opdat het eindresultaat humanitaire en economische ontwikkeling is, niet meer en niet minder. En dat kost geld, in ieder geval van Buitenlandse Zaken.

Louise O. Fresco is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurder en schrijfster. Zie ook louiseofresco.com.