Jonge Andy Warhol zoekt met trilhand naar een eigen stijl

Het Teylers toont vroege tekeningen van Andy Warhol: knap, zoekend werk. Tot hij zijn kracht ontdekte. Beelden vinden en die naar je hand zetten.

Het is een vreemde verrassing: op de tentoonstelling Andy Warhol, onbekende tekeningen in Teylers Museum ligt een exemplaar van Live Magazine uit 1952, waarin vier portretten van Nederlandse kinderen zijn afgedrukt. Die foto’s van ‘gewone’ kinderen, gemaakt door Cas Oorthuys, zijn beroemd omdat ze begin jaren vijftig werden gebruikt op vier postzegels die al snel golden als hét symbool van de Hollandse wederopbouw. En het leuke is: Warhol, een jaar of 26 op dat moment, tekende twee van de jongens na. En dat mislukt. Wat er precies gebeurt is onduidelijk, maar je vermoedt dat Oorthuys’ portretten zo eigen zijn, dat Warhol er niets mee kon. Al vond hij ze wel aantrekkelijk.

Dat we Warhol zien falen, is des te opmerkelijker omdat deze kleine tentoonstelling in de eerste plaats lijkt te zijn opgezet om te laten zien hoe goed Andy Warhol (1928-1983) als tekenaar was. Bijna alle getoonde werken stammen uit begin jaren vijftig, toen hij zijn eerste opdrachten binnenkreeg als advertentietekenaar. Warhols vroege stijl is dan al redelijk uitgekristalliseerd: scherpe, heldere lijntekeningen met veel wit, vaak gebaseerd op foto’s, maar met zoveel trilling en afwijking in de lijn dat de hand van de maker voelbaar blijft. Tegelijk zie je dat hij bezig is zich te verhouden tot de grote boze beeldenbuitenwereld: hij zoekt een eigen stijl, een eigen wereld – Schiele komt voorbij, Beardsly, zelfs Matisse. Hij trekt regelmatig foto’s over om te zien wat er gebeurt. Hij is in aanleg virtuoos, maar vliedend.

Wat deze expositie echter spannend maakt is dat je als toeschouwer langzaam gaat beseffen dat Warhol helemaal niet door virtuositeit of uniciteit beroemd is geworden. Zijn schilderijen en zeefdrukken, of het nu de Campbells-soepblikken zijn, de Elvissen of de Marilyns, moeten het juist hebben van hun universele, maar onpersoonlijke kracht – Warhols beste werk ziet er uit alsof het zich van de maker heeft losgemaakt en altijd al bestond. Mensen vragen zich vaak af wat daar nou zo bijzonder aan is, en dat laat deze tentoonstelling goed zien: juist deze knappe, maar ook wat zoekende tekeningen maken duidelijk dat Warhols grote kracht niet lag in het maken van dwingende beelden, maar in het herkennen daarvan. Sterker nog: juist in de jaren vijftig begon hij te begrijpen dat een beeld dat je niet zelf had vervaardigd, maar dat je eerst had gevonden om het vervolgens aan te passen, naar je hand te zetten, te manipuleren, universeler kon zijn dan iets dat je in je eentje maakte.

Dat werd uiteindelijk Warhols grote kracht: als kunstenaar onttrok hij zich aan de unieke expressie van de unieke persoonlijkheid, om als een seismograaf op zoek te gaan naar beelden met een universele betekenis. Dat waren niet de jongetjes van Cas Oorthuys: te eigen, te specifiek, te cultuurgebonden. En ook niet de poserende actrice met een overdaad aan draperieën en kettingen: te veel mode, te koket en bevallig. Dat Warhol zo’n groot kunstenaar werd, kwam doordat hij heel goed, beter dan wie dan ook, begreep hoe een beeld werkte. Maar ook omdat hij langzaam besefte dat hij, om een universele kunstenaar te worden, zoiets als een eigen stijl achter zich moest laten. En daarmee zichzelf.

Andy Warhol, Onbekende vroege tekeningen. T/m 1/9 in Teylers Museum, Haarlem.