Gevaarlijk zelfbeklag van Duitsland

Duits slachtofferdenken over de euro veroordeelt Zuid-Europa tot een langdurige depressie die uiteindelijk de euro kapot kan maken, waarschuwt Niall Ferguson.

Illustratie Petar Pismestrovic

Is bondskanselier Angela Merkel een vrouwelijke reïncarnatie van de ‘Deutsche Michel’? De ‘gewone Duitser’ die het antwoord was op de Engelse John Bull werd in de jaren veertig van de 19e eeuw in spotprenten afgebeeld als slachtoffer van gewetenloze buren die zijn zakken rolden en zijn hemd van zijn lijf stalen. Het was interessant om dit zelfbeeld van voor Bismarck te zien herleven in de jongste discussies over de oorzaken en gevolgen van de crisis in de eurozone.

Volgens Duitse economen als Hans-Werner Sinn heeft de crisis een eenvoudige verklaring. Terwijl de brave Duitse Michel moeizaam zijn arbeidsmarkt hervormde en zijn arbeidskosten onder controle bracht, verloren minder scrupuleuze landen aan de rand van de eurozone hun concurrentiekracht door zich te laven aan goedkoop eurokrediet. Toen de crisis toesloeg probeerden de Europese Centrale Bank en andere EU-instellingen de perifere landen te redden op kosten van de spaarders en belastingbetalers van de ‘kern’ – oftewel de Duitse Michel.

Dit is een aansprekend verhaal. De meeste Duitsers zijn het met Sinn eens als hij zegt: ‘De nieuwe munt is bedacht als rekeneenheid voor economisch verkeer dat totaal geen gevolgen voor de rijkdom zou hebben.’ Zij delen zijn mening dat de perifere landen hetzelfde zouden moeten doen wat Duitsland na 2003 heeft gedaan – hun prijzen verlagen en hun concurrentievermogen herstellen door middel van binnenlandse deflatie.

Maar deze stelling is eenvoudig niet geloofwaardig. Ze herschrijft geschiedenis door te doen of het project van een gemeenschappelijke munt niet al van begin af aan fiscale consequenties had. Ze onderschat hoeveel baat ‘Michel’ bij de euro heeft gehad en hoeveel hij zou verliezen bij de val ervan. En ze veroordeelt Zuid-Europa tot een langdurige depressie die uiteindelijk de euro kapot zou kunnen maken.

Tegenover het verhaal van Sinn staat een ander verhaal over de euro. In de jaren negentig zagen velen de Duitse economie als de zieke man van Europa. De kosten van de hereniging waren veel hoger dan voorzien. Tussen 1991 en 2001 had Duitsland jaarlijks een tekort op de lopende rekening. De euro loste die problemen op. De lopende rekening ging een overschot vertonen, met een piek in 2007 van 7 procent van het bruto binnenlands product. De tekorten in de andere landen van de eurozone waren de keerzijde van deze Duitse overschotten. Met veel vreemd kapitaal financierden de Duitse banken deze tekorten door staatsobligaties van de perifere landen te kopen.

De eurocrisis ontstond niet doordat de zuidelijke landen verzuimden hun arbeidsmarkt naar Duits model te hervormen. De crisis was een transatlantische bankencrisis waarvoor de Duitse banken geenszins gevrijwaard bleven. Hervormingen van de arbeidsmarkt zouden ook vrijwel niets hebben veranderd aan de achterliggende institutionele problemen waaraan de uiteenlopende concurrentiekracht binnen de eurozone te wijten is.

Inmiddels is Europa een hopeloze puinhoop die eenvoudig niet kan worden opgelost door deflatie in de perifere landen. De toestand in het zuiden is veel erger dan de meeste Duitsers beseffen. De bruto staatsschuld zal dit jaar in vijf landen boven de 100 procent uitstijgen. Van Ierland tot Cyprus is het Bruto Binnenlands Product per hoofd van de bevolking drastisch geslonken. De werkloosheid is schrikbarend hoog. Dit is een giftig mengsel, dat politiek onhoudbaar is.

Wat is hieraan te doen? Ten eerste moet de bankenunie doorgaan, want de crisis in die sector is niet alleen met overheidssteun op te lossen. Dit betekent een centraal toezichtmechanisme, een Europese beslissingsbevoegdheid en een depositogarantieregeling. Ten tweede is er een zekere integratie van de begrotingen noodzakelijk, want anders kunnen de perifere landen op enig moment de rente op hun staatsschuld niet meer – of niet meer helemaal – betalen. De eurozone heeft een gemeenschappelijke begroting nodig; euro-obligaties kunnen niet meer taboe blijven.

De Europese muntunie impliceerde tot op bepaalde hoogte ook altijd een begrotingsunie. Wie het Verdrag van Maastricht ondertekende, had dat moeten weten – of wist dat en had dit moeten toegeven. Want de geschiedenis kent geen voorbeeld van een geslaagde muntunie zonder ten minste een zekere begrotingsintegratie.

Maar in ruil daarvoor moeten alle landen van de eurozone serieuze structurele hervormingen doorvoeren. Het Duitse geloof in een tegenprestatie is geheel terecht. Maar het was een illusie om te denken dat zo’n hervorming ook wel te bewerkstelligen zou zijn door middel van een begrotingspact – Merkels poging om de rand van de eurozone te germaniseren. Niet alleen de Amerikaanse ervaring, maar ook de Duitse is dat een federatie eerder tot institutionele convergentie leidt dan alleen maar een confederatie.

Een eeuw geleden onderging de Duitse Michel een persoonlijkheidsverandering. Op een spotprent uit 1913 liet de dappere jonge Michel in een matrozenpakje op het strand zich niet koeioneren door John Bull. Een jaar later veegde diezelfde Michel, nu atletisch gebouwd en reusachtig van postuur, met zijn bezem de legers van de Entente als stof aan de kant.

Na 1945 werd Michel weer zijn oude zelf: hulpeloos bekeek hij de bouw van de Berlijnse Muur, huilend begroette hij de val. Nu is de cirkel rond en zijn we weer bij de Michel van voor 1848, die Biedermeier-figuur met zijn hang naar zelfbeklag vanwege de afpersing door zijn uitgekookte buren.

Misschien is dat goede binnenlandse politiek. Misschien helpt Merkel zelfs om in september te worden herkozen. Maar het is echt vreselijk voor de economie.

Niall Ferguson is hoogleraar geschiedenis aan Harvard. Dit is een verkorte versie van zijn dankwoord bij de uitreiking van de Ludwig Erhard-prijs op 27 juni. © The Financial Times Limited 2013