Bange kunstdieven stapelden fout op fout

De diefstal uit de Kunsthal in Rotterdam leek het werk van professionals. Maar de Roemeense criminelen blijken pure amateurs. Het verbranden van de kunstwerken was een domme zet.

Eigenlijk was het een blunder. Olga D. dacht haar zoon, de 28-jarige Radu D., een dienst te bewijzen door het bewijsmateriaal te vernietigen. Terwijl hij in een Roemeense cel zat op verdenking van betrokkenheid bij de kunstroof in de Kunsthal in Rotterdam, ging zij ’s nachts naar de begraafplaats tegenover haar huis. Daar lagen de gestolen werken – met een verzekerde waarde van 17 miljoen euro – begraven.

Pas dagen nadat ze de werken in de kachel had gegooid en de asresten in de tuin had uitgestrooid, bedacht ze dat ze de kans had vergooid dat haar zoon zou kunnen profiteren van verzachtende omstandigheden omdat de kunstwerken nog in orde waren. Want de verklaring van Olga D., opgetekend door de Roemeense opsporingsdienst voor misdaad en terrorisme, en het onderzoek naar de asresten hebben het kleine beetje hoop dat de werken nog opduiken doen vervliegen.

Bij de roof in oktober werden in twee minuten en 48 seconden tijd zeven werken van Pablo Picasso, Henri Matisse, Paul Gauguin, Meyer de Haan, Lucian Freud en Claude Monet (2) van de muur gehaald. Het leek het werk van goed voorbereide en ervaren criminelen. Maar als er één ding duidelijk wordt uit de 140 pagina’s tellende tenlastelegging, waarin de hele roof wordt beschreven, is het dat de verdachten geen ervaren kunstdieven zijn. Integendeel. Het verhaal van de Kunsthal-roof bestaat uit een aaneenschakeling van toevalligheden. Al snel nadat de roof internationaal groot nieuws is geworden en er (ten onrechte) over bedragen van 200 tot 300 miljoen euro wordt geschreven, raken de vier Roemeense verdachten in paniek. Wekenlang lopen ze te leuren met een buit die eigenlijk onverkoopbaar is.

Niet dat de vier twintigers, allen afkomstig uit de omgeving van het dorp Macin, onervaren waren in het criminele circuit. Vooral Radu D., die in de aanklacht naar voren komt als hoofdverdachte, had al een uitgebreid strafblad wegens geweldpleging, mensenhandel en souteneurschap. Hetzelfde geldt voor de vrienden met wie hij begin 2012 besluit het werkterrein te verleggen van Roemenië naar de Benelux: Adrian P., Eugène D. en Alexandru B. Ze nemen hun vriendinnen uit het dorp mee en zetten, gebruikmakend van prostitutiesite kinky.nl, een eigen prostitutienetwerkje op. Maar Radu, woonachtig in de Rotterdamse Jonker Fransstraat, waar zijn vriendin Natasha T. ook klanten ontvangt, heeft hogere ambities: diefstal, van kunst bijvoorbeeld.

Een oriënterend bezoek aan het Natuurhistorisch Museum op 2 oktober 2012 in Rotterdam opent geen perspectieven – wie wil er nou gestolen opgezette vogels kopen? Maar dan zien Radu D. en zijn vrienden dat er verderop langs de Westzeedijk een instelling is die zich ‘Kunsthal’ noemt. Over enkele dagen, op 6 oktober, zal daar de expositie Avant Gardes open gaan. Trots vermeldt de affiche werken van onder anderen Picasso, Van Gogh, Degas en Monet. Op 7 oktober, de eerste dag dat de expositie open is voor het publiek, zijn de Roemenen van de partij. En de dagen daarna ook: nooit alleen, nooit met z’n allen tegelijk, en soms hand in hand met hun vriendin – alles om geen argwaan te wekken. Een inbraak in de Kunsthal lijkt goed mogelijk: een nooduitgang van het museum lijkt makkelijk te kraken en er hangen geen camera’s in de ruimte waar de schilderijen hangen. De keus valt op een aantal niet te grote en dus hopelijk niet al te zware doeken.

Het eerste plan is voor de nacht van 12 op 13 oktober. Maar dat is een heldere nacht, waarin alles goed zichtbaar is. Nacht van 13 op 14 oktober: zelfde verhaal. Gelukkig regent het in de nacht van 15 op 16 oktober. Radu D. en Adrian P. forceren zonder veel problemen de nooduitgang en stoppen de zeven vooraf uitgekozen doeken in boodschappentassen van zwart raffia, die ze in een Chinese winkel hebben gekocht. De last blijkt zwaarder dan verwacht, zodat Radu D. besluit zijn vriend Eugène D. te bellen, die op dat moment met Alexandru B. een pizza aan het eten is in een Turks restaurant in de nabijgelegen Witte de Withstraat. Hij moet spoorslags komen met de voor 1000 euro speciaal voor de diefstal aangeschafte Peugeot 306.

Omdat er inmiddels in Rotterdam politie met sirene onderweg is, besluiten de vrienden om de auto met buit ergens op de Coolsingel te parkeren. Pas de dag erna kunnen de werken naar de Jonker Fransstraat worden overgebracht. Radu D. reist meteen door naar een nuttig contact in Brussel, een zekere George M., alias George le Voleur (George de Dief). Die weet niet zo 1, 2, 3 waar hij zeven werken van grote meesters moet laten, maar heeft wel een goed advies voor de Peugeot 306: vernietigen bij een bevriende schroothandelaar. Radu D. gaat per trein terug naar Rotterdam.

Inmiddels is de kunstroof groot nieuws en wordt breed uitgemeten in kranten en tv-journaals. Eugène D. wordt bang: hij maakt zijn vrienden wijs dat hij een fietser heeft aangereden en spoorslags naar Roemenië terug moet. Radu D. weet hem over te halen de zeven schilderijen in de achterbak mee te nemen. Zelf gaat hij per vliegtuig naar Roemenië, om daar kopers te zoeken. Inmiddels uit de lijst gehaald en verpakt in verder met piepschuim gevulde kussens arriveren de schilderijen in Roemenië, waar ze in Macin een goed plaatsje vinden in de woning van Radu’s tante.

Ook in Boekarest beschikt Radu D. over een nuttig contact, meent hij. Petre C. oppert aanvankelijk dat het wellicht het beste is zaken te doen met de verzekeraar van de doeken, maar doet ook een – naar later blijkt voor de dieven fatale – poging de doeken te verkopen. Hij neemt contact op met een prominente antiekhandelaar in Boekarest, Constantin Dinescu, die op zijn beurt een specialist van het Roemeense ministerie voor Cultuur, Mariana Dragu, inseint. Dinescu zegt in Rusland klanten te weten, maar eist meer zekerheid. Radu D. organiseert dat de Matisse voor enkele dagen van Macin naar Boekarest wordt overgebracht. In de flat van Dinescu neemt Dragu het doek mee naar de badkamer om een infraroodtest te doen, zegt ze. Ze herkent het doek als een van de schilderijen die in Rotterdam zijn gestolen en slaagt erin het te fotograferen.

Dat is op 18 november. Waarom het vervolgens nog meer dan twee maanden zal duren voordat Radu D. wordt gearresteerd, is een vraag waarop de aanklacht geen antwoord geeft.

Tussen november 2012 en januari 2013 neemt de paniek bij Radu D. en de andere verdachten geleidelijk toe. De buit blijkt in feite onverkoopbaar – tips en suggesties over kopers in Monaco en andere buitenplaatsen van zowel Petre C. als George M. leiden tot niets en Radu’s eigen contacten in ex-Sovjetstaten evenmin.

Wel heeft hij veel steun van zijn moeder, Olga D., die rondrijdend in haar snelle landrover menig klusje opknapt. Zo fotografeert zij met een van een oom geleende digitale camera sommige doeken en mailt het resultaat naar haar zoon, zodat deze – inmiddels op zoek naar klanten heen en weer pendelend tussen Boekarest en Brussel – iets heeft om aan potentiële kopers te laten zien. Olga D. besluit ook dat de kunstwerken beter verstopt moeten worden, in een kuil op het Roemeense deel van het kerkhof in Macin, tegenover haar huis, samen met de niet onaanzienlijke voorraad wapens en munitie die Radu D. thuis had, zonder vergunning.

Het mag niet baten: na weken van toenemende spanning wordt Radu D. op 20 januari gearresteerd. Olga D. graaft de doeken op het kerkhof weer op en verbrandt ze thuis in het kacheltje in de badkamer. „De doeken vatten snel vlam en ik wacht tot ze volledig zijn verbrand.”