Column

Veel gebazel op de vierkante centimeter

Meer vermogen moeten ze hebben, en snel een beetje. Banken staan sinds het uitbreken van de financiële crisis onder zware druk om hun buffers zodanig aan te vullen dat een crisis zoals we die hebben gehad zich niet snel meer zal kunnen voordoen. Met eigen vermogen vangen ze klappen op als een lening niet wordt terugbetaald of de waarde van hun handelsportefeuille daalt.

Maar het formuleren van een vermogenseis is lastig. Eigen vermogen en vreemd vermogen (geld dat is geleend of door spaarders is ingelegd) tellen samen op tot de ‘passiva’ van het balanstotaal van een bank. Daartegenover staat, voor hetzelfde bedrag, het geheel aan ‘activa’: het aan derden uitgeleende of geïnvesteerde geld. Op het renteverschil tussen aangetrokken en uitgeleend geld maakt een bank winst.

Op het eerste gezicht is het eenvoudig om een vermogenseis te formuleren: je neemt het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Maar dit is de bancaire sector: het is allemaal flink ingewikkelder gemaakt. Het ene strak omschreven eigen vermogen (tier1) is steviger dan het andere, ruimer gedefinieerde (tier 2). En wat is een balanstotaal nou eigenlijk?

In het verleden hebben de internationale bankentoezichthouders in Bazel vastgesteld dat sommige leningen risicovrij zijn (zoals een Duitse staatsobligatie) en andere juist veel risico in zich dragen (zoals een krediet aan een wankel bedrijf). Tegenover de eerste hoefde je geen vermogen aan te houden, tegenover de tweede juist veel.

De leningen moesten dus worden gewogen naar risico, zodat de vermogenseis neerkwam op het eigen vermogen als percentage van de risicogewogen activa. Elke bank mocht daar zijn eigen systeem voor bedenken – mits goedgekeurd door de toezichthouders. Een kleinere bank kon de ratings nemen van kredietbeoordelaars als Standard & Poor’s.

Retorische vraag: zou iedereen daar eerlijk in zijn geweest? Natuurlijk niet. Allereerst zijn er rare prikkels. Tijdens de Azië-crisis eind jaren negentig bleek dat het voor westerse banken even ‘riskant’ was geweest om tegen een lage rente te lenen aan de Duitse overheid als tegen hoge rente aan de Zuid-Koreaanse. Drie keer raden wat ze deden.

De regels van ‘Bazel’ zijn sindsdien verfijnd tot Bazel-II. En ingehaald door de kredietcrisis. Nu is Bazel-III in zicht, dat over vijf jaar moet zijn ingevoerd. Met hogere vermogenseisen.

Maar nog steeds hanteren banken hun eigen maatstaven voor het berekenen van risico’s. De allesbepalende Bank voor Internationale Betalingen in Bazel trof in een onderzoek naar 32 niet met naam genoemde banken enorme verschillen aan. Zij bleken hun risico’s in een vergelijkbare kredietportefeuille dusdanig verschillend te berekenen dat sommige 2 procentpunt minder eigen vermogen dachten nodig te hebben dan het gemiddelde van 10 procent. Andere reserveerden juist tot 1,8 procentpunt méér eigen vermogen. En inderdaad: de drie rekkelijkste banken waren Europees. De meest puriteinse Amerikaans.

Moet de risicoweging dan maar overboord? Het alternatief is een keihard getal: gewoon het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal (de leverage ratio). Klaar uit. Maar dat zou tot gevolg hebben dat het niet meer uitmaakt of je aan Berlijn leent of aan een oliebedrijf in Azerbajdzjan. Banken zouden dan dus juist méér risico gaan nemen. Het resultaat is dat beide methodes worden ingevoerd, maar dat de leverage ratio vermoedelijk toch gewichtiger wordt dan aanvankelijk gedacht. Makkelijk is het allemaal niet. Maar dat was het toezicht toch al niet op een sector die de ruiten ingooit als je maar éven niet kijkt.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.