‘Van Nederlanders moest ik kijken bij onthoofding’

Oude inwoners van Gedong Tataan herinneren zich het harde optreden van Nederlandse militairen maar al te goed, al lopen de details zeer uiteen – precies wat van 60 jaar oude herinneringen valt te verwachten, zegt historica Scagliola.

Toen Harrie Nouwen een jaar geleden een foto van ‘zijn’ executie in de krant trof, tekende hij op de krant zelf wat hij had meegemaakt. Foto Karoly Effenberger

Harrie Nouwen zou Gedong Tataan niet meer herkennen, maar de oudere inwoners van het dorp op de zuidpunt van Sumatra kunnen prima uit de voeten met de plattegrond die de 87-jarige Indiëveteraan tekende. „Er was een weegbrug. Naast het marktplein en schuin tegenover de huizen waar de Nederlandse soldaten sliepen. Onder de brug was een ruimte waar gevangen werden vastgehouden”, vertelt Mohamed Sanusi (81). Hij vocht in Gedong Tataan tegen de Nederlanders, als soldaat van het Tentara Nasional Indonesia, het Indonesische leger ofwel TNI, tijdens de tweede ‘politionele actie’.

Purhadi Gutama (76) was twaalf toen Indonesië de onafhankelijkheidsoorlog voerde met Nederland. „De wreedste militair heette Van den Berg. Hij liet twee mannen knielen met hun handen op hun rug gebonden. Vervolgens onthoofdde hij hen. Andere dorpsbewoners en ik werden gedwongen te kijken.” Mohamed Umar (85) zat bij het burgerverzet. Umar: „Ik bewaakte de kapotte brug. Een keer hebben we ’s nachts het Nederlandse kamp aangevallen en in brand gestoken. ’s Nachts, want orang belanda kunnen geen steek zien in het donker.”

De weegbrug die als gevangenis diende. De onthoofde dorpsbewoners op het plein. De aanval op het Nederlandse kamp. De kapotte brug. Het zijn details over de strijd in 1949 tussen de Indonesiërs en de Nederlanders die overeenkomen met het verhaal van Harrie Nouwen. Maar er zijn ook belangrijke verschillen en tegenstrijdigheden. Met name van de standrechtelijke executie waarover Nouwen afgelopen zaterdag in deze krant sprak hebben de lokale bewoners niet gehoord.

Nouwen zei dat hij zichzelf had herkend op de vorig jaar opgedoken foto van twee Nederlandse militairen die bij een greppel kijken naar een tiental dode Indonesische mannen. Volgens Nouwen betrof het een standrechtelijke executie in Gedong Tataan. Om zijn verhaal te kunnen vertellen en verwerken tekende Nouwen een kaart met de belangrijke plekken en gebeurtenissen. En op die kaart herkennen de oude inwoners veel.

Het gaat goed met Gedong Tataan. De grote straat stikt van de Indomarets and Alfamarts, helverlichte supermarkten die vooral chips, frisdrank en zoetigheid verkopen. Op het belangrijkste kruispunt wordt een grote moskee gebouwd. Scooters zoeven over de geasfalteerde gangetjes in de kampongs. Op plastic zeilen liggen vanillepeulen, cacaobonen en peperkorrels te drogen in de middagzon. De huizen hebben weelderige voortuinen. Op de daken zonnepanelen. De Nederlandse overheersing is duidelijk ver verleden tijd.

Toch zal Nederland altijd onlosmakelijk verbonden zijn met Gedong Tataan, vertelt Akhmad Sadad. Hij schreef een boek over de geschiedenis van Bandar Lampung, de havenstad op een half uur rijden. „Nederlanders hebben rond 1905 het dorp gesticht. Javanen werden hier geplaatst om te werken op de rubberplantages. De namen van de kampongs zijn nog steeds vernoemd naar de oude Javaanse plekken waar ze vandaan kwamen”, zegt Sadad.

In een straatje waar nu markt is, en de meervallen in emmers water spartelen, staan Nederlandse koloniale huizen. Ze zijn vervallen, maar nog in gebruik en herkenbaar aan hun grote ramen en veranda’s. Ook de rechte rijen rubberbomen buiten het dorp, met hun dunne stammen en hoge kruinen, moeten er net zo uitzien als 64 jaar geleden.

Het geschiedenisboek van Sadad rept in een paar alinea’s over de gevechten van 1949. Op basis van de archieven van het Indonesische leger (TNI) en gesprekken met een inmiddels overleden dorpshoofd schrijft Sadad dat de Nederlandse landmacht en het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger op 18 januari Gedong Tataan bezetten, na een paar dagen strijd. In februari werd gevochten in Way Lima, de gemeente aan de westelijke grens van Gedong Tataan. Nederlandse troepen werden terug over de rivier naar Gedong Tataan gedreven. Pas na vier pogingen met versterkingen wisten Nederlandse militairen het gebied te veroveren.

Als wraak heeft, volgens het boek van Sadad, het KNIL huisgehouden in Way Lima en Gedong Tataan, waarbij „helaas veel burgers” zijn gedood. De laatste relevante melding in het boek gaat over 19 mei. Indonesische militairen maakten melding van gevechten bij Gedong Tataan. Daarbij kwamen twee Nederlanders en acht Indonesiërs om.

Er is één plek in een kampong buiten Gedong Tataan die de Agresi Kedua herdenkt, zoals de tweede politionele actie genoemd wordt. Het is een vierkant monument met schilderingen van schietende en moordende mannen en heldhaftige Indonesische soldaten die ten strijde trekken. Op een braakliggend veldje voor het monument zijn stenen restanten zichtbaar van wat ooit mogelijk een graf was. Op een plaket staan twaalf namen: Wijono, Meladi, Islan Sugianto, Peikun, Marjono, Djalil, Gholil, Ismail, Moghidin, Abdul Gafar, Kamirin en Soetadji. Hoe oud ze waren, waar en wanneer ze stierven staat er niet bij. Alleen wordt vermeld dat tien mannen bij de marine zaten, één bij de politie en een bij het burgerverzet.

In Gedong Tataan is weinig bekend over het lot van de mannen. Ook zijn er geen verhalen over een grootschalige standrechtelijke executie zoals Nouwen beschrijft. „Dat kan nooit gebeurd zijn”, zegt Mohamed Sanusi. Met een aansteker in de vorm van een patroonhouder steekt hij een sigaret aan. Op tafel ligt een vlindermes in de vorm van een pistool. Voor de foto doet de veteraan zijn camouflageplunje aan. „Wij, het TNI, zaten overal. Als de Nederlanders zoiets zouden doen, hadden wij het geweten. En voorkomen”, zegt Sanusi. Hij vertelt over zijn commandant. Die kon kogels ontwijken en verdwijnen. Als iedereen dacht dat hij aan de linkerflank was, dook hij rechts op. Als er een executie aanstaande was, zou hij de mannen gered hebben. Dat weet Sanusi zeker.

Sanusi kan zich wel een aanval op een Nederlandse patrouille herinneren. „Ze liepen aan de rand van het rijstveld bij een kampong. We bekogelden hen met alles wat wij hadden, zoals messen en stenen. We hadden ook een paar geweren. Er is toen een Nederlandse officier doodgeschoten. Als wraak hebben de Nederlanders toen mortiergranaten op een paar huizen afgevuurd. Ze dachten dat daar soldaten zaten. Maar dat was niet zo”, zegt Sanusi. Na zijn vier jaar in het leger (1946-1950) is hij boer geworden. Hij verbouwt cacao en leeft van zijn krijgsmachtpensioen.

De toen twaalfjarige Purhadi Gutama weet op zijn beurt niks over een aanval op Nederlanders. Ook van brandstichting in het kamp van de soldaten weet hij niks. Er was volgens hem ook geen weegbrug. Wat hem wel is bijgebleven is dat Nederlanders onrechtvaardig waren. Een Ambonese soldaat van het KNIL had een oogje op zijn zus. Zij wilde niet en vluchtte. Toen sloeg de macan loreng , ofwel gestreepte tijger, de bijnaam voor de gehate KNIL-soldaten, de boel kort en klein. De vader van Gutama ging verhaal halen bij de Nederlandse commandant, die hem een klap gaf. Gutama zegt wel gedwongen te zijn een onthoofding bij te wonen, zoals Harrie Nouwen beschrijft.

Toch denk Gutama dat de foto van de executie niet in Gedong Tataan genomen is. Het veld aan de andere kant van de greppel lijkt op de foto vlak en weids. Gutama: „Hier glooien de sawa’s meer. Ook stonden hier nooit zulke grote bomen zoals op de foto. Misschien verder op in Pringsewu. Daar lijkt dit meer op.”

Verzetsman Mohamed Umar zegt dat zijn versie de waarheid is. Het is de vastenmaand en dus is hij verplicht de waarheid te zeggen. Praten wil hij wel. Maar dan moet hij eerst zijn nette hemd aantrekken. Hij is per slot van rekening de vader van het dorpshoofd. „Er was hier veel geweld in 1949. Van een executie heb ik nooit gehoord. Wel heb ik het KNIL burgers zien doden en Nederlandse militairen tegen ons zien vechten”, zegt hij.

Umar pakt de foto van de dode Indonesiërs in een greppel. Het zouden soldaten van het Indonesische leger kunnen zijn, zegt hij. „Maar het kunnen ook gewoon sterke dorpelingen zijn voor wie het KNIL bang was. Die Ambonezen van het KNIL zeiden dan tegen de Nederlanders dat die mannen spionnen waren. Dan werden zij gedood. Zo ging dat. Macan loreng waren gruwelijk, maar laf. Alleen de Japanners waren nog erger.”

Dat Harrie Nouwen 64 jaar later in Gedong Tataan zijn verhaal wil doen begrijpt Umar. „Toen ik vroeger aan de oorlog dacht moest ik lachen. Wij kregen onze onafhankelijkheid. Als ik nu terugdenk krijg ik kippenvel. Er zijn te veel mensen doodgegaan. Die Nederlander wil natuurlijk weten wie hij heeft gedood. Als het militairen waren is hij niet schuldig. Want vechten is wat militairen deden. Ik ben ook niet schuldig omdat ik tegen Nederlanders vocht. Als het burgers waren heeft hij schuld en zal hij daar mee moeten leven.”