Klassieke bocht

Joseba Beloki ligt schreeuwend op de grond na zijn valpartij tijdens de negende etappe over 184,5 kilometer van Bourg d'Oisans naar Gap, op 14 juli 2003. Foto ANP

Ducrot en Dijkstra hadden het vandaag alsmaar over de ‘klassieke’ bocht. Ik vroeg me af hoe lang het duurt voordat iets ‘klassiek’ wordt. Ik herinnerde me de uitzending. Het was 14 juli 2003. Beloki viel.

Joseba Beloki was een Spanjaard van wie je nooit hoogte kreeg. Het roze shirt van ONCE deed het lijken alsof de winnaar van de Giro was doorgefietst naar Frankrijk voor een extra toertje. Het leek alsof hij nooit interviews gaf, alleen een renner was en geen persoonlijkheid bezat. De man die meedeed omdat er toch íemand ieder jaar derde moest worden.

Het begon met een plotselinge zwaai naar links van zijn achterwiel, alsof er olie op het asfalt lag. Daarna bewoog de hele fiets samen met zijn renner naar rechts - nog een aanwijzing dat niet die man, maar zijn fiets de persoonlijkheid droeg.

Beloki klapte opzij, gleed een stukje door. Bleef toen liggen.

Achter hem: de gele trui. Lance Armstrong. In een reflex reed hij het veld in, langs een toeschouwer, naar de overkant. Even van de fiets af bij een greppel, tillend eroverheen, en weer in het zadel. De Tour had dat jaar een winnaar die niet eens het hele parcours had afgelegd.

Hoe lang duurt het voordat iets ‘klassiek’ wordt? Tien jaar en twee dagen, blijkbaar. Ik zag het fragment vandaag weer, omdat de Tour dezelfde bocht aandeed. Het leek de dag van gisteren. Ducrot en Dijkstra riepen het tijdens de etappe bij meerdere bochten, dat het de ‘klassieke’ bocht was.

Toen ze eindelijk de goede hadden, was het niet langer dan twee seconden te herkennen. Ik zag het stukje asfalt waar Armstrong weer was opgestapt, maar miste de plek daarboven, waar het gebeurde, waar de carrière van die gezichtsloze Beloki nog steeds ergens in de berm moet liggen.