Hoe het platte tot leven komt grasveld

Uitgaan // Festivaldecors Het uiterlijk van festivals is belangrijker geworden Ze onderscheiden zich door spectaculaire decors Daardoor gaan ze steeds meer lijken op openluchtmusea

Daar is de entree. Een ruk aan je bandje, een blik in je tas, en je bent binnen. Je kijkt om je heen en ziet kleurige festivaltenten, schommels in de bomen, eetkraampjes gemaakt van golfplaat. Ze gaan op in het groen van het bos.

Aan het moment dat jij je eerste stappen op het festivalterrein zet, is veel voorafgegaan. Toen jij je kaartje kocht, boog iemand zich over een tekentafel. Werd een moodboard in elkaar geknutseld, of vergaderd over de bordjes die jou nu de weg wijzen naar de toiletten of het hoofdpodium. Want een eiland omtoveren tot een openluchttheater of een weiland tot een popparadijs, lukt alleen met de juiste aankleding.

Volgens Response, dat onderzoek doet naar publieksevenementen, is het aantal festivals op het gebied van kunst- en cultuur de afgelopen dertig jaar vervijfvoudigd. En met die toename is ook de aandacht voor aankleding en artistieke vormgeving van festivals gegroeid. „Met alleen muziek kun je bijna niet meer concurreren”, zegt Kunna Haan (26), artdirector en hoofd pr van verschillende festivals in Amsterdam. „Om op te vallen besteden festivals steeds meer aandacht aan creatieve randprogrammering”.

Een podium op een grasveld met een hek eromheen is dus niet meer voldoende. Tegenwoordig moet er op een beetje festival ook iets te zien zijn, en liefst ook iets te doen. Daarvoor worden artdirectors, architecten, autonome kunstenaars en creatieve evenementenbureautjes ingeschakeld. „We scheppen de randvoorwaarden voor een goed festival”, zegt Rinke Wils (34) van het Utrechtse bureau Triomf, dat onder meer de aankleding doet van het Vlielandse muziek-, kunst- en filmfestival Into The Great Wide Open en het nieuwe festival Best Kept Secret. Zelf noemt hij het ‘sfeerbeheer’, „want uiteindelijk moeten mensen het zelf leuk hebben”.

Voor de vormgevers van Triomf is het terrein het belangrijkste uitgangspunt. „Ik maak graag dingen die mixen met de omgeving”, zegt Wils. „Ik zou niets kunnen ontwerpen voor een festival zonder op de plek te zijn geweest waar het wordt gehouden”. Zo zette hij op Best Kept Secret een open tent neer die het zicht op het achterliggende meer vrijliet.

Ook voor Kunna Haan is de omgeving leidend. Voor ieder evenement is haar aanpak dan ook verschillend. Toen ze deze winter voor het elektronische muziekfestival Valhalla in de Amsterdam RAI – niet bepaald de meest romantische locatie – een knusse jaren twintig circussfeer moest geven, lag het budget voor aankleding bijna even hoog als dat voor de artiesten.

Ballonnenboom

Het Gaasperpark, de plek waar ze onlangs voor de derde keer Amsterdam Open Air organiseerde, is volgens Haan gemakkelijker aan te kleden omdat het „een van de mooiste parken van de stad” is. Het Amsterdamse Westerpark, waar zaterdag Buiten Westen plaatsvindt, is lastiger. „Het Westerpark is eigenlijk gewoon een plat grasveld. Daar gaan we bijvoorbeeld ballonnenbomen en grote houten toegangspoorten neerzetten om hoogteverschil te creëren.”

Voor ieder evenement doet Haan een oproep. Ben je creatief? Heb je een goed idee? Stuur een mailtje. Inmiddels heeft ze een uitgebreid bestand van creatieve initiatieven waarin ze bijhoudt wie wat kan. Zo heeft ze Shit Art in haar netwerk, een collectiefje dat wc’s versiert, en Draadloos, een kunstenaar die wandelpaden opfleurt door met linten geometrische patronen in de bomen te spannen.

Ook de evenementenbureautjes bemiddelen tussen kleine creatieven en grote organisaties. Arne Koefoed (46), oprichter van Wink (met opdrachtgevers als Sensation, Valtifest en Lowlands): „Ik ken een hoop eigenzinnige figuren die nooit rechtstreeks met onze klanten zouden kunnen werken. Vrije geesten die het liefst de hele dag kachels aan het lassen zijn, maar ook voor festivals hele gave dingen kunnen maken. Ik zorg ervoor dat zij er toch staan en tot hun recht komen.”

Festivals zijn op die manier een soort openluchtmusea geworden, vindt Koefoed. „Veel mensen die vorige maand op Defqon stonden, een festival voor hardere dancestijlen, zullen waarschijnlijk nooit van hun leven het Stedelijk Museum bezoeken. Maar op zo’n feest zien ze wel de gaafste kunstwerken.” Organisatoren van dance-evenementen zoals ID&T en Q-dance gaan volgens hem all out: „In de dance is van oudsher meer ruimte voor decor, show, video en special effects. Het is nu eenmaal niet zo boeiend om naar een dj of techno producer te kijken.”

Het gaat om de muziek

Voor een festival als Pinkpop ligt dat anders. Festivaldirecteur Jan Smeets: „Ik bezoek zelf regelmatig dancefestivals en zie dan de spectaculairste dingen voorbij komen. Maar zo’n organisatie betaalt een stuk minder aan dj’s dan ik aan Kings of Leon of Bruce Springsteen.” Het leidt alleen maar af als „ergens een of andere pipo met een kunstwerk staat te jongleren”, vindt hij. „Stel, je mag optreden met een bandje dat net is doorgebroken. Als er dan niemand komt kijken omdat er elders op het terrein dingen gebeuren die niets met popmuziek te maken hebben, dan is dat niet goed.” Het ‘spektakel’ laat Smeets dan ook liever aan de artiesten zelf over. „Als een band vuurwerk of een confettikanon op het podium wil, kan dat. Zolang het tenminste binnen de veiligheidsvoorschriften valt.”

Uitpakken met uitbundig decor is dus vooral een manier voor festivals zich te onderscheiden. Het aan de man brengen van kunst een mooie bijkomstigheid. Maar zit het publiek wel op al dat artistieke gedoe te wachten? Kunna Haan: „Misschien heeft niet iedereen er oog voor, of dezelfde waardering. Maar je kunt ook niet van 20.000 man verwachten dat iedereen het vet vindt. Het mooie is: dat hoeft ook niet. Wie dat wil, moet natuurlijk gewoon lekker gaan dansen. Want waar zijn die festivals toch uiteindelijk voor.”