Genocide van 1971 ten slotte erkend

In Bangladesh zijn daders van slachtpartijen in de onafhankelijkheidsoorlog tegen Pakistan veroordeeld. Maar het tribunaal is omstreden.

Bengaalse activisten schreeuwen om de doodstraf tegen Ghulam Azam wegens misdaden in de onafhankelijkheidsoorlog in 1971. Foto AFP

Het stak de Bengaalse schrijver Mofidul Hoque (65) en miljoenen andere Bengalen dat de daders van gruwelijke slachtpartijen en massale verkrachtingen uit de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh tegen Pakistan van 1971 decennia lang op vrije voeten bleven. Sterker nog, sommigen schopten het zelfs tot minister in Bangladesh.

Maar sinds begin dit jaar, toen een speciaal tribunaal over de oorlogsmisdaden van 42 jaar geleden zijn eerste vonnissen velde, is duidelijk dat de daders van toen zich alsnog moeten verantwoorden. Althans Bengaalse collaborateurs, want Pakistaanse daders blijven buiten schot. Twee aangeklaagden zijn dit jaar ter dood veroordeeld en twee hebben levenslang gekregen, onder wie gisteren de 91-jarige Ghulam Azam, 31 jaar lang leider van de fundamentalistische partij Jamaat-e-Islami.

„Het is belangrijk dat de genocide van toen nu algemeen wordt erkend”, constateert Hoque, een beminnelijke man met grijs haar, tevreden. „Het was een van de grootste tragedies van de twintigste eeuw en het is mooi dat de huidige regering dit tribunaal heeft opgezet.”

We spreken elkaar in een kamertje in het Museum van de Bevrijdingsoorlog in Dhaka. Hoque heeft dit zelf mee helpen oprichten om de herinnering aan de misdrijven van 1971 levend te houden. Volgens Hoque heeft die strijd, toen de Pakistanen steun kregen van fundamentalistische Bengalen, aan zo’n drie miljoen mensen het leven gekost. Veel onafhankelijke historici houden het echter op een half miljoen doden.

Maar de aanhang van Jamaat-e-Islami denkt anders over de processen. Zij ziet die als een ordinaire politieke afrekening door de regering van premier Sheikh Hasina en haar partij, de Awami League, met hun tegenstanders. Zijn immers niet alle aangeklaagden van de oppositie, acht van Jamaat en twee van de Nationalistische Partij van Bangladesh (BNP)?

„De processen voldoen niet aan internationale normen, zelfs niet aan nationale maatstaven”, zegt Abdur Razzaq, advocaat voor de Jamaat-verdachten en zelf prominent partijlid. „In geen 200 jaar zijn verdachten veroordeeld op grond van zulke flinterdunne bewijzen. Het is een perverse vorm van rechtspleging.”

Ook de kritiek van mensenrechtenorganisaties als Amnesty International, Human Rights Watch en de Internationale Advocatenorganisatie op het tribunaal is niet mals. „Het prullige tribunaal vormt een ontkenning van de mogelijkheid op recht, niet alleen voor degenen die onder geweld hebben geleden maar voor de hele psyche van de natie”, stelde Asian Human Rights. Met opzet zou de regering vooringenomen aanklagers hebben aangezocht en getuigen onvoldoende beschermen.

Het tribunaal verhit de gemoederen. Gisteren en vandaag kwam het in Dhaka tot rellen tussen voor- en tegenstanders. Bij botsingen met de politie in verband met de vonnissen zijn dit jaar al ruim 100 mensen om het leven gekomen. Ook vanmorgen vielen er weer twee doden.

Het felst wordt er in Dhaka betoogd maar ook elders loopt er door gemeenschappen een scheidslijn. „Laten we niet weer over het tribunaal beginnen”, zegt Fazlul Haque, voorzitter van de gemeenteraad van het modderige dorpje Shingdigi, 35 kilometer van Dhaka, tegen een raadslid van de Awami League. „Anders wordt het weer vechten.”

Het tribunaal heeft plaats op een moment dat volgens velen een golf van islamisering naar Arabisch model over het land spoelt. Ze wijzen op het feit dat Bengalen elkaar tegenwoordig met de Arabische groet ‘Salaam Aleikum’ aanspreken en bij het begin van toespraken eerst Allah aanroepen, wat ze vroeger nooit deden. In de constitutie is de islam inmiddels tot staatsgodsdienst verheven. Veel meer mensen dan vroeger bidden vijf keer per dag en ouders uit de middenklasse sturen hun kinderen voor extra Koran-lessen naar privéleraren. Op het platteland worden hun kinderen naar madrassa’s gestuurd, Koran-scholen, die in ijltempo uit de grond rijzen met financiële steun uit Arabische Golfstaten.

„Ik ben in de 42 jaar sinds de onafhankelijkheid van Bangladesh nog nooit zo bezorgd geweest als nu”, zegt Iftikhar Zaman, directeur van Transparency International in Bangladesh en een uitgesproken voorstander van seculiere waarden. „Ik dacht altijd dat de seculiere kernwaarden van Bangladesh en de gematigde, tolerante islam van Bangladesh onaantastbaar waren. Maar ik ben naïef geweest. Doordat de Awami League en de BNP altijd alleen maar elkaar bevochten, zonder zich om het land te bekommeren, hebben ze een voedingsbodem voor de fundamentalisten gecreëerd.”

Niet alleen voor Jamaat-e-Islami maar ook voor Hefazat, een nieuwe organisatie die sinds 2010 snel is opgekomen. De beweging weet honderdduizenden mensen te mobiliseren, vooral madrassa-studenten, voor betogingen tegen het tribunaal. Ze schilderen de processen af als aanvallen op de islam.

De meeste Bengalen steunen desondanks de berechting van de daders van 1971. Met goede reden volgens de schrijver Hoque: „Het is van het grootste belang dat juist een islamitisch land als Bangladesh, dat seculiere waarden huldigt, laat zien dat het zulke processen kan houden."