'Een illegaal is supernetjes'

Ali en Amadu zijn al twaalf jaar in Nederland. Sinds hun achttiende zijn ze illegaal. Op een school vertellen ze hun verhaal. „Heb je contact met je ouders?” „Mijn ouders zijn gedood door rebellen.”

‘Ik ben Ali. Ik ben 12 jaar in Nederland en zit hier nog steeds. Ik ga jullie uitleggen wat ik allemaal meemaak in mijn leven.”

De les maatschappijleer vwo-5 van het Vrijzinnig-Christelijk Lyceum in Den Haag. Ali Isiaki en Amadu Diallo (beiden 27) zitten voorin de klas, aan het bureau van de leraar. 25 leerlingen zijn net binnengestommeld, rugzakken op de grond, telefoons op stil. De docenten, Bas van Heereveld en Blandine Six, zitten achterin de klas.

Ali en Amadu zijn illegaal. Ze kwamen op hun vijftiende naar Nederland en mochten blijven tot hun achttiende omdat kinderen zonder ouders niet worden teruggestuurd. Op hun achttiende was het einde verhaal: Ze hadden geen recht op een verblijfsvergunning. Ze moesten terug.

Als je illegaal bent, vertelt Ali de vwo-leerlingen, mag je niet werken, niet naar school, je kan geen huis huren, als je hoofdpijn hebt kan je niet naar de dokter.

Bas van Heereveld las over Ali en Amadu in deze krant en nodigde hen uit om over hun leven in Nederland te vertellen. Tijdens de maatschappijleerlessen op het Vrijzinnig-Christelijk Lyceum wordt vaker gesproken over maatschappelijk thema’s. De school staat in de chique ambassadebuurt, de meeste leerlingen hebben hoogopgeleide ouders. Willem-Alexander zat op het VCL. Er zitten nauwelijks allochtone leerlingen op.

Van Heereveld introduceert de mannen aan het begin van de les. Hij heeft een les eerder al met de leerlingen gesproken over illegaliteit. Ali en Amadu beginnen met te vertellen hoe hun dagen eruitzien. De klas luistert stil.

Amadu: „In de zomer hebben we vaak een klusje. De ramen lappen, werk in een tuin, schilderen. Als er niks is, dan is het moeilijk. In de winter is er vaak geen werk.”

Ali: „Ik woon op de bank bij iemand. Daar betaal ik voor, want ik douche natuurlijk, ik gebruik de keuken. Als er geen werk is, ga ik soms buiten lopen of fietsen.”

Een jongen steekt zijn vinger op: „Zouden jullie terug willen?”

Ali: „De regering van jouw land zegt: ‘Benin vinden we niet gevaarlijk genoeg.’ Ik heb een tijd heel hard geprobeerd om terug te gaan. Het lukt niet omdat ik geen papieren heb. In Afrika heb je die vaak niet. Ik ben thuis geboren. Mijn ouders gingen niet naar een gemeentehuis om te vertellen dat ze een kind erbij hadden. Er was niet eens een gemeentehuis in mijn dorp.”

Een meisje vraagt: „Hoe leefde je daar?”

Ali: „Simpel. Toen ik wat groter was, ging ik naar de koranschool. De meeste tijd hielp ik mijn ouders op de boerderij. Verder geen bijzonderheden.”

Het meisje: „Heb je contact met uw ouders?”

„Mijn ouders zijn dood. Ze zijn gedood door rebellen. Ik vind het moeilijk om daar over te praten. Ik heb wel een broer. Ik weet niet of hij nog in Benin is of gevlucht. Ik heb hem gezocht. Het Rode Kruis heeft me geholpen. We hebben hem niet gevonden, daarom denk ik dat hij niet in Europa is maar ergens in Afrika.”

Een jongen: „Hoe kwam je naar Nederland?”

„Met hulp van een mensensmokkelaar. Hij zou me naar Europa brengen. Europa zei mij niet veel. Van Nederland had ik nog nooit gehoord.”

Er hangen nu tien vingers in de lucht. Veel leerlingen hebben vragen.

Een meisje: „Wist je dat je papieren nodig had?”

Ali en Amadu kijken elkaar aan en lachen. Ali: „Je hebt daar geen papieren. Toen ik hier kwam, vroegen ze papieren, ik dacht: Wat zijn dat?”

Meisje: „Waren jullie niet superbang. Helemaal alleen, zonder ouders?”

Amadu: „Ik vond het wel eng, ja.”

Een jongen: „Wat viel op in Nederland?”

Amadu: „Toen ik net in Nederland was, vond ik een bus het gekst. Zo’n enorme auto had ik nooit gezien. Gewone auto’s vond ik ook vreemd. In Afrika zijn die ook, maar daar zitten dan tien mensen in. Hier zat er maar een in. Vond ik een bizar gezicht.”

Jongen: „ Vond je het vliegtuig niet gek dan?”

Ali „Dat vond ik doodeng.”

Jongen: „Haat je Nederland?”

Ali: „Nee, zeker niet. Ik ben naar school geweest, drie jaar. Veel geleerd. Daar ben ik dankbaar voor hoor. Ik heb veel geleerd. En ik ken ook veel aardige Nederlanders.”

Een meisje: „Ben je wel eens opgepakt?

„Gelukkig niet”, zegt Ali.

Amadu: „We proberen niet op te vallen. Mensen denken wel eens: een illegaal is crimineel. Dat is niet zo. Een illegaal is supernetjes. Ik zal zelfs nooit door het rood fietsen.”

Docente Blandine vraagt: „Wat gebeurt er als je wordt opgepakt?”

Ali: „Dan zit je in vreemdelingendetentie. Ik spreek wel met mensen die daar zaten. Dat wil je dus liever niet. Het is verschrikkelijk en je weet niet hoe lang je vastzit.”

Een jongen, een beetje schuchter: „Het is misschien een zinloze vraag hoor, maar hoe zien jullie je toekomst?”

Ali denkt na. „Ik voel me een visje in de eindeloze zee. Wat gaat hij doen? Niets.”

De klas lacht.

Ali: „Soms lopen we op straat en zien we veel huizen te koop staan. Dan zeg ik tegen Amadu, kom we kopen er een.”

Amadu: „Het is een grap. Maar het liefst zouden we een eigen plek willen. Met een deur.”

Een paar leerlingen knikken.

Een jongen: „Ik begrijp niet dat jullie niet mogen werken.”

Ali: „Nederland is heel streng. De boetes zijn hoog als je een illegaal in dienst hebt. Mensen durven daardoor niet.”

Een jongen: „Kunnen jullie niet in een ander land asiel aanvragen?”

Ali: „Dat mag niet. Je mag maar in één land asiel vragen.”

Jongen: „Rare gedachte misschien. Maar zouden jullie niet geadopteerd kunnen worden?”

Ali grijnst: „Ik ben wel een beetje een groot kind.”

Docente Blandine Six: „En als jullie nou trouwen met een Nederlandse vrouw?”

De klas gniffelt. Ali lacht verlegen.

Ali: „Eh, je moet eerst een vrouw tegenkomen die met je wil trouwen. Áls je iemand vindt, zijn de regels erg streng. Ze moet 120 procent van het minimumloon verdienen en een vaste baan hebben. En wij moeten terug naar ons land om documenten op te halen om te kunnen trouwen. En dat is nou juist zo lastig. In België en Frankrijk is dat makkelijker. Als je een kindje krijgt met een vrouw, dan krijg je daar vrij snel een verblijfsvergunning.”

Een meisje ongelovig: „Als je een kindje krijgt kan je weggestuurd worden?”

Blandine Six tegen de klas. „Wij dachten gisteren nog dat Nederland juist heel tolerant was...”

Ali: „Als je papieren hebt, is Nederland heel tolerant en heel vrij. Je kan elke opleiding volgen die je wilt, je kunt worden wat je wilt. Een geweldig land.”

De bel gaat.

De leerlingen pakken hun tassen en telefoons, bedanken de twee mannen voor de les en stommelen naar buiten.