De Tour in bed

Twee rustdagen verdelen de Tour in drie ongeveer even lange porties. Dat maakt het in mentaal en fysiek opzicht overzichtelijk voor de renners. Ze kunnen zich erop instellen, en ze kunnen hun inspanningen in gelijke delen doseren en uitsmeren. Vandaag gaat het alweer naar Gap in de zestiende etappe na rustdag nummer twee. Of als u dit na pakweg half zes in de middag leest: vandaag ging het alweer naar Gap. In dat geval weet u ook of iemand in navolging van Lance Armstrong in 2003 tijdens de laatste linke afdaling, als een rodeocowboy op een stier, onvrijwillig een stuk van de route heeft afgesneden.

Rustdagen: de een houdt ervan, de ander heeft er een pesthekel aan. Ik hoorde Michael Boogerd onlangs vertellen dat de rustdagen hem gestolen konden worden. Steevast raakte hij van de leg. De dag erna had hij pas na uren koers zijn lichaam enigszins op orde. En wat hij niet allemaal geprobeerd had om de kater te vermijden? Niet trainen, wel trainen, geen seks, wel seks, op het eten letten of nergens naar kijken, veel slapen, weinig slapen. Niets hielp; het persoonlijke ei van Columbus bleef onvindbaar.

Dan had Michael het makkelijk. Hij wist tenminste dat er geen remedie tegen de rustdag bestond, en hoefde zich er maar bij neer te leggen. Maar als ik in mijn eigen herinneringen afdaal, tref ik er een veel groter chaos aan: het ene ei van Columbus was het andere niet. Beter gezegd, wanneer ik er een meende gevonden te hebben, werkte het een volgende keer averechts. Elke rustdag gaven de genomen maatregelen andere, onvoorspelbare uitkomsten.

Ik keek uit naar een rustdag omdat je voor even verlost was van koersstress; de chauffeur van de machine kon zich ontspannen. Ik vond die dagen ingewikkeld omdat de machine zich moeilijk liet programmeren. Een voorbeeld van één facet: volgens Zoetemelk werd de Tour in bed gewonnen. Ja, Joop kon dat zeggen als oud-winnaar. Niemand kon zo hartstochtelijk in de lig-stand gaan dan Joop. Liggen was koersen, en omgekeerd. Benijdenswaardig. Het recept voor de rustdag – en niet alleen voor de rustdag trouwens – was kinderlijk eenvoudig voor hem.

Voor mij was slapen op de rustdag een vorm van koorddansen. Het slapen op zich was niet het probleem, wel het ontwaken. Na een te lange of te korte middagslaap ervoer ik mijn lichaam als een vreemd, inert organisme dat niet van plan was ooit nog in beweging te komen. En met dat halfdode kreng ging je de nacht in om de volgende ochtend in nog uitgebluster toestand te ontwaken.

Qua slaaptechniek was de tweede rustdag makkelijker. Te weinig, te veel, of precies genoeg bed- uren, het maakte niet zo veel verschil meer. Kapot was kapot.