De pleinwachter

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft wekelijks over wat haar opvalt.

Nederland heeft niet op me gewacht. Alles is gewoon doorgegaan, maar welkom ben ik wel in mijn oude buurtje. Mijn fiets staat er nog alsof ik hem gisteravond vastzette in plaats van een jaar geleden. De frisse ochtendwind doet mijn jetlag wegwaaien. Het is acht uur, Amsterdam ontwaakt. Een hond mag van zijn slaperige baas een snelle ochtendplas doen, een zwijgende vrouw dweilt de vloer van een leeg café. Een man met warrig haar komt uit een van de huizen en sluit zo zacht de deur dat ik vermoed dat hij een geliefde achterlaat die na een doorwaakte nacht eindelijk in slaap is gevallen. Een vrouw in een gebloemde kamerjas gooit lege wijnflessen in de glasbak. Nog altijd schrik ik van het harde geluid van brekend glas. Een waterig zonnetje komt op. Wat kan er in een jaar veranderen in een stad?

De jongen in mijn voormalige stamkroeg zet even later ongevraagd een cappuccino voor me neer. „Zo, je bent er weer”, constateert hij. Even komt het in me op dat hij een jaar lang dag en nacht in dit café heeft geleefd, net zoals ik vroeger dacht dat mijn juf permanent op school woonde. Dan fietst er een meisje voorbij in wie ik een klasgenoot van mijn oudste kind herken. Ze is nu een van die leuke Amsterdamse meisjes met lang haar, een hyperkort broekje en veel te veel make-up. Maar ik herinner me nog de sprietige beentjes met vaak een smoezelige pleister op haar kapotte knie. Natuurlijk, de Herenmarkt, daar moet ik heen. Even dag zeggen tegen Lowie.

De Herenmarkt is een stadspleintje dat uit niet veel meer bestaat dan een zandbak, een klimrek en een paar oude kastanjebomen te midden van winkels, coffeeshops en kroegen. Twintig jaar geleden moest je je daar een weg banen tussen de spuiten en de condooms. Maar op een dag stond er zomaar opeens een keet met een bordje PLEINBEHEERDER. Dat was Lowie. Een afgekeurde vuilnisman die met deze melkertbaan gered werd van de drank en de ledigheid. Een rossige snor, ongeschoren kaken met een peuk in zijn mond, en gehuld in schoenen en jassen van de gemeentereiniging. Altijd in voor een praatje. Vaak chagrijnig, vooral als het regende. „Die verdomde rug ook altijd”, zei hij dan.

Lowie bleek een zegen voor de buurt. Voor kleine kinderen was hij een held. Ze konden bij hem niets verkeerd doen, ze waren per definitie onschuldig. Hij wist er alles van: zelf had hij een rotjeugd gehad. In zijn keet had hij pleisters in alle soorten en maten. Op zomerdagen schalde de Bolero van Ravel uit het hokje. De langgerekte toon van de klarinet vermengde zich dan met het gejoel van de kleintjes. Hij kende alle namen van alle kinderen die ooit in zijn zandbak hadden gespeeld. Jaren heb ik er doorgebracht.

Als ik op de Herenmarkt aankom, zie ik al dat er iets mis is. Het plein is opgebroken. De keet staat scheef. De grond is bezaaid met troep. Een zwerver is onder een bankje gezakt naast een uitpuilende vuilnisbak, een half leeggegeten pak roze koeken bij zijn verweerde kop. Opgeschoten jongens zitten te blowen met hun schoenen op het bankje. Lowie zou allang hebben ingegrepen.

Op de keet zijn handgeschreven briefjes geplakt. Eronder staan onhandig geschikte bloemen, kaarsjes en een kaalgeplukte teddybeer. Er hangt een foto waarop hij karakteristiek grijnst. Op een van de briefjes lees ik: Lowie, zonder jou is de Herenmarkt de Herenmarkt niet meer.

Er is toch iets veranderd in mijn stad. Er is een Amsterdammer doodgegaan.