‘De grote lijn klopt meestal’

Zijn herinneringen aan een drama na ruim zestig jaar nog betrouwbaar? „Ze zijn essentieel om te begrijpen wat is gebeurd.”

Hoe betrouwbaar zijn de oorlogsverhalen van mensen die ruim zestig jaar gezwegen hebben? Die vraag dringt zich op nu Indiëveteraan Harrie Nouwen (87) in deze krant heeft bekend dat hij in 1949 betrokken was bij oorlogsmisdaden in Gedong Tataan. Hij zegt zichzelf te herkennen op een foto van een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen. Vandaag vertellen bewoners van het betreffende dorp op Zuid-Sumatra hun verhaal.

Stef Scagliola, militair historica gespecialiseerd in mondelinge geschiedenis, heeft geen reden om te twijfelen aan de strekking van het relaas van Nouwen, noch aan de kern van de herinneringen van de Indonesiërs. „De ervaring met oral history is dat de grote lijnen van een verhaal – als iemand een goed, gezond geheugen heeft – meestal wel kloppen, ook na zo’n lange tijd, maar de details vaak niet.”

Dat de finesses van herinneringen van betrokkenen niet overeenkomen, is geen reden om ze helemaal af te schrijven, zegt Scagliola. „Oral history heeft, net als andere historische bronnen trouwens, altijd een element van onbetrouwbaarheid.” Dat komt volgens Scagliola soms door bewuste verdraaiing, maar vaker door onbewuste vervorming van herinneringen. „De daden en belevenissen van mensen vinden niet plaats in het luchtledige, maar in interactie met anderen. Die sociale context bepaalt de herinneringen.”

„Het feit dat deze veteraan na al die jaren getergd wordt door wat daar is gebeurd, heeft te maken met zijn morele kompas. Misschien was hij destijds wel opgelucht dat er vijanden uit de weg waren geruimd, terwijl hij zich daar nu schuldig over voelt. Hoe er in de samenleving gedacht wordt over die oorlog is mede bepalend voor de herinneringen eraan.”

Om de gebeurtenissen in Gedong Tataan echt te kunnen reconstrueren, zou uitvoeriger gesproken moeten worden met betrokkenen aan de verschillende kanten van het conflict en zouden hun herinneringen getoetst moeten worden aan ander historisch materiaal. Zoals egodocumenten uit en vlak na de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, militaire en mogelijk ook journalistieke verslagen.

Hoewel oral history vaak minder serieus wordt genomen dan schriftelijk materiaal, hebben schriftelijke bronnen ook beperkingen. „Een institutie, zeker een hiërarchische organisatie als de krijgsmacht, brengt altijd een bepaalde ‘waarheid’ naar buiten. Informatie die de reputatie kan schaden, wordt achtergehouden.”

Het blijft daarom „een gemiste kans” dat toen in 1969 de ‘excessen’ uit de koloniale oorlog werden onderzocht, de regering het onderzoek beperkte tot wat door Defensie zelf was vastgelegd. „Stel je voor dat het misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk alleen was onderzocht op basis van documenten van de kerkelijke instellingen zelf?”

Volgens de historica is het niet toevallig dat de kerkelijke schandalen en verhalen over wandaden tijdens de oorlog in Indonesië de laatste jaren naar buiten komen. „Het werd pas bespreekbaar toen commandanten en politiek verantwoordelijken dood of dement waren en er voor de daders of getuigen geen aanzien of carrière meer op het spel stond. Kloppen daarmee alle verhalen helemaal? Nee. Maar ze zijn wel essentieel om te begrijpen wat er gebeurd is.” Mondelinge verhalen worden met de tijd wat minder betrouwbaar, maar hun vertellers wel eerlijker.