Anti-socialen, daar ga ik goed mee

lijkt op een ‘standaard kakker’. Hij wil werken met ‘mensen die onderaan de ladder staan’. Als beginnend psychiater verleent hij spoedeisende hulp.

Verslaggever

Twee toekomstbeelden heeft Maurits de Brauw (29) van jongs af aan in zijn hoofd. In de ene zit hij in een grote auto vol kinderen. In de andere staat hij voor een grote zaal, iedereen luistert naar hem. Die beelden schetste hij ook voor een beroepskeuzeadviseur, die hij bezocht nadat hij een jaar had gereisd, een half jaar natuurkunde had gestudeerd en bij de Bovag werkte en bier dronk.

„Je bent gewoon een narcist zonder boodschap”, zei de adviseur. Maar geneeskunde, dacht de adviseur ook, zou wel bij hem passen.

Zijn ouders ontmoetten elkaar bij het studentencorps, zelf werd hij ook lid. Hij woont in een „fucking dik huis” in Amsterdam, bij de aankoop geholpen door zijn ouders. „Ik lijk op een standaard kakker. Zo praat ik en zo zit ik, met mijn benen over elkaar.” Maar Maurits de Brauw is meer dan dat. In het Utrechtse corps hield hij het niet lang vol. „Ik ben onaangepast. Vond ze nep. Bang om te zeggen wat ze echt vonden.” Daarna geneeskunde, het eerste college. Er werd een filmpje vertoond van een groepje co-schappers aan een ziekenhuisbed. De Brauw vroeg of het niet onethisch was om met zes man om een praktisch naakte patiënt heen te staan. „De reactie was: ‘Zo gaat dat gewoon.’”

En weer later, zijn eigen co-schappen. „Een terror. Chirurgen willen dat je meegaat met hun verhaal. Dat je zegt: zo, mooi zeg, dat snijden.” Bij zijn eerste co-schap kreeg hij bijna een onvoldoende – te veel de kont tegen de krib gegooid. Bij de tweede besloot hij alleen maar ja te knikken; hij kreeg een tien voor professioneel gedrag.

Nu werkt De Brauw als ‘anios’ (arts niet in opleiding tot specialist) – bij de spoedeisende psychiatrie en bij een team ‘zorgwekkende zorgmijders’, onderdeel van het acuut behandelteam. Hij moet flirten: de mensen aan wie hij zorg verleent vinden zelf dat ze geen zorg nodig hebben. Als buurtbewoners of politie melden dat er een vrouw staat te gillen op haar balkon, of dat er urine van de bovenbuurman langs de muren druipt, dan springt De Brauw op zijn fiets en gaat ernaartoe.

Hij doet ervaring op om te kunnen solliciteren voor een positie ‘als aios’ (arts in opleiding tot specialist). Zijn ambitie is niet „een grachtengordelpsychiater worden die mensen helpt die zichzelf te deftig vinden om met een psycholoog te praten”. Zijn ambitie is: werken met mensen die onderaan de ladder staan. Mensen met psychosen. „Anti-socialen, daar ga ik goed mee.”

Wat maakt jouw vak zo mooi?

„Ik vind het fijn contact te maken met iemand die moeilijk te begrijpen is. Ik vertaal zijn verhaal om hem handvatten te geven, om te kunnen functioneren. Ik geloof dat alle geestesziekten uitersten zijn van wat iedereen in zich heeft. Het is de maatschappij die bepaalt wat normaal is en hoe we ons mogen gedragen.”

Hoe ziet de gek in jou eruit?

„Als kind had ik obsessief-compulsieve dwangneigingen. Op weg van school naar huis fietste ik altijd een paar rondjes over een oprit voor rolstoelers. Dat moest. Mijn moeder wachtte dan op me. Er was veel ruimte voor mijn gekkigheid.

„En ik ben sensation seeking. Ik vaar veel op mijn adrenaline. Reageer op prikkels. Als ik zo’n prikkel heb, ga ik aan mezelf plukken, met mijn been trillen, springen. Er móét dan iets gebeuren.”

Hoe ga je te werk?

„Ik bel aan. Zeg: ik ben van de zorgverlening, er zijn mensen die zich zorgen maken. Ik creëer een band met ze. Zo hielp ik een vrouw met het ontstoppen van haar wc, nadat ze die had volgestopt met kranten. Als het vertrouwen gewonnen is, probeer ik ze de zorg in te krijgen.

„De lelijke kant van dit werk is dat ik soms de rechterlijke macht moet inschakelen. Aan de ene kant ben ik vriendjes met de patiënt, aan de andere kant dwing ik hem de zorg in. Ben je weleens in een psychiatrische inrichting geweest? Daar wil je echt niet zitten. De medicatie die je er krijgt, remt je in alles. Je gaat kwijlen, wordt dikker, krijgt erectieproblemen. En dat terwijl deze mensen niet begrijpen waarom ze daarheen moeten.”

Ben je weleens bang?

„Ja, soms is het eng. Zoals de eerste keer dat ik iemand rustgevende medicatie moest toedienen. Die man was ervan overtuigd dat er homo’s achter hem aan zaten. Hij was heel agressief, spuugde alleen maar, noemde ons vieze flikkers. Hij wilde geen pillen slikken, maar hij moest rustig worden. Een groep politieagenten zette hem in de cel en trok zijn broek omlaag zodat ik een spuit in zijn bil kon zetten. Daarmee deden we precies waar die man het allerbangst voor was.”

Waarom duurde het zo lang voordat je wist dat je psychiater wilt worden?

„In deze maatschappij moet je een spoor kiezen dat het écht voor je is. Dat sloeg me lam. Ik heb heel lang met keuzestress gezeten. Mijn ouders zijn, na een carrière als rechter, allebei kunstenaar geworden. Ze vonden dat uit je carrière niet alles te halen valt. Er was weinig om me tegen af te zetten. De eerste keer dat ik drugs gebruikte, heb ik ze dat gewoon verteld.

„Ik ben grotendeels opgevoed door mama Leen – zo noemde ik mijn nanny. Er is meer dan werk. Je moet oppassen dat je bepaalde dingen niet verliest.”

Wat is de belangrijkste les die je ouders je leerden?

„Ik was vijf jaar toen ik in een familieberaad met argumenten moest uitleggen waarom ik meer zakgeld wilde. En ik was tien toen mijn zus en ik moesten beargumenteren waarom we niet naar Curaçao wilden emigreren – een discussie die we wonnen. We leerden dat je met woorden dingen kunt bewerkstelligen. Ik vind woorden mooi. En macht ook.”

Je wilt macht?

„Het is een heel lelijk gevoel. Ik probeer er vanaf te komen, het is not done. Maar ik denk wel na over een politieke carrière. Ik ben bij de Jonge Socialisten gaan kijken, en bij GroenLinks, maar daar zat ik de hele avond over ritueel slachten te praten. Het gaat zó traag. Daar gebeurt het echt niet. Maar ik weet nog niet waar het wel gebeurt.

„Iedereen is zo bezig met zijn eigen zelfontplooiing. We offeren ons heel weinig op voor de maatschappij. Dat geldt net zo goed voor mij. Ik denk ook de hele tijd: waar word ik gelukkig van?”

Wat kun jij doen voor de maatschappij?

„Ik zou boodschappen kunnen doen voor de eenzame alcoholisten die onder mij wonen. En een gemeenschappelijke tafel neerzetten in de tuin.

„Onbekend maakt onbemind en dat maakt mensen angstig. Omdat ze die Marokkaanse jongetjes op de straathoek niet kennen, durven ze hen ook niet aan te spreken. We zijn fucking eenzaam.

„Eenzaamheid maakt gek. Als jij in de bergen gaat lopen, komt de engel Gabriël tot je spreken. Het is ook daarom dat ik bij het maatschappelijk debat betrokken wil zijn, want dáár ontstaan de problemen.”