André Rieu is zo verfijnd als de Big Mac

André Rieu moet worden bewonderd om zijn zakelijke succes, maar dicht niet de kloof tussen hoge en lage cultuur, vindt Mischa Spel.

Overbekende nummers nieuw leven inblazen. Volgens de Maastrichtse hoogleraar cultuur en genderstudies Maaike Meijer is dat de verdienste van violist André Rieu, die ‘live de pan uit swingt’. De onverwachte effecten die Meijer Rieu toeschrijft, zijn het tegenovergestelde. Rieu geeft zijn publiek exact wat het verwacht. Zoals het publiek door illusionist Hans Klok verbijsterd wil en zal worden, wil het door Rieu betoverd en besuikerd worden, met de knipoog en de adempauze precies waar verwacht. Rieu biedt Disney voor volwassenen en verdient voor zijn zakelijke succes bewondering.

Maar dat hij ‘de kloof tussen hoge en lage cultuur’ zou slechten, is een alarmerende onwaarheid. Rieu biedt volksvermaak. Dat is niet iets om met dédain te constateren, maar dat is wat het is. Wie meer wil horen in platgehoempade walsen – sprankeling, en rauwe opwinding zelfs – zou eens de cd Walzer Revolution onder leiding van Nikolaus Harnoncourt kunnen beluisteren. Harnoncourt – Oostenrijker, opgegroeid in de walstraditie – sorteert namelijk wél precies de door Meijer genoemde verrassingseffecten.

De kloof tussen hoge en lage kunst die Meijer signaleert, is inderdaad een nijpend probleem, zeker in de klassieke muziek. De generatie, die nu in de bloei van zijn leven verkeert, is voor klassieke concerten een Lost Generation – geschoold in een tijd dat voor muziekonderwijs op school weinig ruimte was. Klassieke muziek dreigt nu een niche te worden. Zijn er echt maar 20.000 liefhebbers voor klassieke muziek in New York City (ruim 8 miljoen inwoners)? Als Nederland die trend volgt, zijn er straks nog 2500 klassieke liefhebbers in Amsterdam – een nekschot voor het Concertgebouw (2000 stoelen), Muziektheater (1600) en Muziekgebouw aan het IJ (700).

Ooit, schrijft Meijer, ging je naar de opera om ‘te drinken, te lachen en je vrienden te zien – omlijst door muziek’. Hoewel operavoorstellingen en klassieke concerten in de pauzes nog steeds die functie vervullen, heeft Meijer een punt. Want wat doen concertzalen en orkesten om publiek (en sponsoren) te winnen? Ze volgen, boud gesteld, het recept van Rieu en geven de klassieke liefhebber wat hij verwacht. Beethoven. Brahms. Tsjaikovski. En nog eens. Conservatisme houdt de programmering van veel zalen en orkesten stram in zijn greep en holt de canon van onze muzikale meesterwerken – en dat zijn er in pakweg 700 jaar westerse kunstmuziek vele – uit. De versmalling van het repertoire wordt niet gecompenseerd door verbreding van het publiek. Dat ligt aan de ‘festivallisering’ van onze cultuurbeleving. We willen verrast worden!

Laten we een voorbeeld nemen aan André Rieu en weer goed worden in muzikaal feesten. Maar dan met het beste wat muziek te bieden heeft. Op de MacDonaldisering volgden de Raw en Slow Food beweging – zonder dat iemand betwistte dat een Big Mac goed kan smaken. Dat biedt hoop dat op de popularisering van de muziekcultuur een gelijksoortige herwaardering volgt van ‘pure’ muziek die unplugged ontroert door raffinement. Schubert: de beste singer songwriter aller tijden. Bach: de man die laat horen hoe goddelijk je met twaalf tonen kunt goochelen. John Adams, die je eraan herinnert dat er altijd nieuwe genieën van je eigen tijd zullen zijn. Om er een paar te noemen.

Maar wie bepleit dat Rieu de grenzen slecht tussen hoge en lage kunst, maakt van de Big Mac het symbool van gastronomische verfijning.

Mischa Spel (38) is redacteur klassieke muziek.