Column

Zomerfeesten

Uitgerekend aan de vooravond van de Vierdaagse had ik een weekend Nijmegen gepland. Ik ging ervan twijfelen aan mezelf. Had ik in een tent geleefd? Hoe kon ik de Zomerfeesten zijn vergeten? En waarom had niemand me daar even op geattendeerd?

Met de wandelaars waren traditiegetrouw de B-artiesten de stad ingelopen, waar ze verdeeld over tientallen podia tot middernacht hun kunsten vertoonden.

Eerst zaten we op een terras tussen wandelaars die liedjes zongen. Er zat van alles tussen: krom, scheel en in T-shirts met teksten als ‘Jenever walk alone!’

Ze zongen: „We hebben een B, we hebben een B, we hebben een Q... Barbecue!!!” Vierdaagse-wandelaars fascineerden me al jaren.

Wat is daar leuk aan?

Waarom zijn ze bijna allemaal boven de veertig?

Waarom zingen ze liedjes en zijn ze altijd blij?

En waarom zou je vier dagen achter elkaar veertig kilometer gaan lopen als je fysiek dat eigenlijk niet toestaat?

„Omdat het schit-te-rend is!”, tetterde een man op bergschoenen me in het gezicht. Hij had een grote grijze snor en miste – „diabetes is een kutziekte” – een oog.

Zijn ‘wandelmaatje’: „Je levert een prestatie!”

De man: „De toeschouwers zijn hier ge-wel-dig!”

Daarna werden de vingers voor mijn gezicht gehouden.

Twee keer twee handen vol: twintig keer meegelopen!

Oprecht plezier, waar ik even geen antwoord op had. En ze hadden nog gelijk ook: als zij er met die groep in slaagden om vier dagen achter elkaar te wandelen was dat een prestatie van formaat.

We begonnen aan een ronde door de stad, die was opgedeeld in sectoren zodat er voor iedereen wat te halen was. Er waren plekken waar je je vol kon proppen met vegetarische producten als ‘kaasgehakt’, ‘noten-geitenkaaskroketten’, ‘stampballen’ en falafel. De mensen genoten er rustig en bewust, maar het meest intrigeerde de binnenstad waar we rond middernacht belandden.

Dat was het domein van de dronken dagjesmens, voor wie het woord feest gelijk stond aan vlees, friet, bier en schreeuwen.

Een jongen schold zijn vriendin uit voor foetus.

Even verderop lag een man in een groen shirt met bedrijfslogo wijdbeens tussen het zwerfafval. Zijn collega’s hingen erboven.

„Sta eens op!”

„Gaat het nog?”

„We gaan naar huis!”

Vooral ‘Gaat het nog?’ was een goede vraag, want het was duidelijk dat het niet meer ging. Uiteindelijk tilden ze hem op en sleepten ze hem mee. Op zijn rug stond de naam van een verzekeringsmaatschappij. Daaronder de leus: ‘Wij vinden het belangrijk dat u gezond de eindstreep haalt.’