Zo opa, zo kleinkind

Ook opa’s en oma’s bepalen waar hun kleinkinderen op de sociale ladder terechtkomen Als de ouders op de ladder zijn gedaald, is het effect het sterkst Dan duwt de grootouder het kleinkind omhoog

Acteur Piet Römer en zijn kleindochter Nienke, die ook acteert. Grootouders hebben effect op het succes van hun kleinkinderen. foto hollandse hoogte

Redacteur Sociale wetenschap

Grootouders hebben een grote invloed op de sociale positie waarin hun kleinkinderen terechtkomen, onafhankelijk van de invloed van de ouders.

Twee Britse onderzoekers ontdekten dat de kans dat kleinkinderen een geschoold vrij beroep gaan uitoefenen of een leidinggevende functie krijgen tweeënhalf maal zo groot is als hun grootouders ook zo’n positie hadden. En dat effect komt bovenop de invloed van de ouders. De voor- en nadelen van bepaalde maatschappelijke posities blijken veel langer door te werken dan tot nu toe werd verondersteld.

Dat ouders invloed hebben op de sociale positie van hun kinderen is wel bekend. Hun inkomen, de wijk waarin ze wonen en hun opleiding beïnvloeden allemaal de maatschappelijke kansen van hun nageslacht.

De onderzoekers, Tak Wing Chan van de universiteit van Oxford en Vikki Boliver van de universiteit van Durham, publiceren hun bevindingen deze maand in de online editie van de American Sociological Review. Zij analyseerden de gegevens van 17.000 Britten, verdeeld over drie geboortecohorten: 1946, 1948 en 1970. Aan hen werd gevraagd welk beroep ze uitoefen(d)en en wat hun vaders en grootvaders deden.

Van de mannen van wie zowel de ouders als de grootouders behoorden tot de klasse van professionals en managers bleef 80 procent in die bevoordeelde posities. Van de mannen wier grootouders ongeschoolde handwerkers waren en van wie de ouders het hadden geschopt tot geschoolde professionals en leidinggevenden slaagde maar 61 procent erin die posities vast te houden.

Bij vrouwen bleek het ‘grootoudereffect’ minder sterk: respectievelijk 66 en 51 procent. Wanneer de grootouders professionals en managers waren en de ouders waren gedaald op de sociale ladder bleek het grootoudereffect nog sterker: zij duwden als het ware hun kleinkind weer omhoog en corrigeerden zo de ‘fouten’ van de ouders.

Om vast te stellen hoe dit grootoudereffect precies werkt, is nader onderzoek nodig, schrijven Tak en Bolliver, maar zij doen wel een paar suggesties. Zo is het plausibel om te veronderstellen dat grootouders zich het lot van hun kleinkinderen aantrekken en als zij over de middelen beschikken om hen vooruit te helpen, zullen ze dat doen. Grootouders leven langer dan vroeger en de levens van grootouders en kleinkinderen overlappen elkaar nu langer dan een eeuw geleden. Als opa en oma in de buurt wonen, bemoeien zij zich waarschijnlijk ook met de opvoeding.

Verder hebben ouders die zelf zijn geklommen op de sociale ladder hun kinderen mogelijk minder vermogen en sociale contacten te bieden dan ouders die deze voordelen zelf hebben geërfd. En ouders die zijn gedaald op die ladder zijn misschien beter in staat, of meer gemotiveerd, om hun kinderen verder te helpen.

Tak en Bolliver analyseerden alleen Britse onderzoeksgegevens. Of het bewuste grootoudereffect een universeel verschijnsel is, onafhankelijk van de culturele context, moet blijken uit onderzoek in meerdere delen van de wereld. Zo schreven de onderzoekers Zeng Zeng en Yu Xie twee jaar geleden dat dit effect in China alleen aantoonbaar is als grootouders en kleinkinderen samenleven en als opa en oma actieve bemoeienis hebben met de opvoeding van hun kleinkinderen.