'Maak gebruik van de sporters, van hun passie en beleving'

VDH won in 1993 bij de Jeugdspelen goud. Nu is hij toernooidirecteur.

Zodra Pieter van den Hoogenband over de ontluiking van zijn zwemcarrière praat wordt hij mens. Dan borrelen warme gevoelens op. Dan spreekt hij recht uit zijn hart. Dan hangen jonge sporters aan zijn lippen, zoals bij de ploegoverdracht van de Nederlands deelnemers aan het Europees Jeugd Olympisch Festival (EJOF) in Utrecht. Dan is er het feest der herkenning.

Wat wil je met een drievoudige olympisch kampioen als toernooidirecteur. Daar kijkt een topsporter-in- de-knop tegenop. Zij inhaleren de woorden van die kekke oud-zwemmer, die twintig jaar na ‘zijn’ EJOF nog wordt geroerd door het moment waarop hij voor de topsport koos. Omdat Van den Hoogenband op de EJOF – destijds bij hem om de hoek in Valkenswaard – voor het eerst buitenlandse tegenstanders versloeg, maar vooral omdat hij gelijkgestemden trof. En niet, zoals tegenover zijn klasgenoten, hoefde uit te leggen wat hem als ‘maffe zwemmer’ dreef. Iedereen begreep hem.

Wil een jonge, talentvolle sporter succesvol zijn dan moet hij of zij volgens Van den Hoogenband harde keuzes maken en een prestatiegerichte biotoop creëren. Sportief ondernemerschap, noemt de meervoudige zwemkampioen dat. Hij refereert graag aan zijn beginperiode toen hij met trainer Jacco Verhaeren, en gebruik makend van pa’s netwerk in en rondom Eindhoven, iets van een zwem-bv’tje oprichtte. Van den Hoogenband faciliteerde zichzelf en zwom na verloop van tijd de tegels uit de baden. Tot hij in 2000 op de Olympische Spelen in Sydney op zowel de 100 als 200 meter vrije slag goud won. Om daar vier jaar later in Athene een tweede gouden plak op de 100 meter aan toe te voegen. Een ster was geboren.

Over die Griekse Spelen vertelde hij zijn gretige gehoor een bijzonder verhaal. Om zijn naaste rivaal Roland Schoeman uit Zuid-Afrika voor te blijven besloot Van den Hoogenband niet met zijn vlakke hand maar met zijn vingers aan te tikken. Hij deed het met zo veel kracht. dat zijn middelvinger brak. No pain, no gain, wil hij maar zeggen.

Van den Hoogenband houdt de jonge sporters bij de EJOF graag die spiegel voor. Nooit versagen, is zijn boodschap. Ook niet als sportkoepel NOC*NSF de geldkraan dichtdraait, zoals weggezonken sporten een half jaar terug overkwam. „Juist dan is ondernemerschap vereist”, spreekt hij tegen bijvoorbeeld gedupeerde atleten, badmintonners en basketballers. Om vervolgens weer zwemmen als referentiekader te nemen. „Twintig jaar terug lag die sport op z’n gat. Topzwemmer Marcel Wouda vluchtte naar de Verenigde Staten en de vrouwen klaagden vooral dat er op trainingskampen geen geld voor pannenkoeken was. Dat niveau, weet je. Er was geen visie, helemaal niets.”

Tegen sportbonden die na het wegvallen van de topsportbijdrage aan NOC*NSF-bashing doen, zegt hij: „Kijk in de spiegel. Er zijn bonden die te lang hun hand hebben opgehouden en niet hebben vernieuwd; de kwaliteitsnorm niet zijn blijven nastreven. Ik denk dat het tijd is voor een frisse wind onder sportbestuurders. Mijn boodschap: maak gebruik van de sporters, van hun passie en beleving. Leid ze op. In de topsport gaat het niet z’n gangetje.”

Van den Hoogenband is milder over sporters. Velen weten niet beter of ze worden gepamperd. Om weer zijn eigen carrière als voorbeeld te nemen: „Jacco en ik zijn in eenvoud begonnen en een steeds hogere standaard gaan zoeken. Zwemmers die onderweg aanhaakten hadden die sobere weg niet afgelegd. Dan kun je ze ook niets kwalijk nemen. Het was aan ons hen duidelijk te maken dat ze in een bevoorrechte situatie verkeerden.”

Wringt die opvatting niet met zijn stokpaardje om tijdens de EJOF ‘de sporter centraal te stellen’? „Dat denk ik niet”, zegt de toernooidirecteur, die zich bijvoorbeeld met de keus voor handdoeken, de lengte van bedden en de inrichting van de ‘vreetschuur’ heeft bemoeid. „Ik ben geen Jan des Bouvrie, maar weet wel wat een sporter nodig heeft. Uiteindelijk haalt een gering aantal van de 2.300 deelnemers de Olympische Spelen. Voor velen is de EJOF hun hoogtepunt. ”

Andere opmerkelijkheid aan Van den Hoogenband is zijn oplaaiende liefde voor breedtesport. De evangelist van topsport krijgt oog voor de krabbelaar? Wat is er in de oud- zwemmer gevaren? Niets bijzonders, beweert hij. Zo gek vindt hij het niet – „ik ben ooit begonnen als fanatieke breedtesporter.” Maar toch kwam er een keerpunt. Van den Hoogenband: „ Dat was toen langeafstandszwemmer Maarten van der Weijden in 2008 bij de Olympische Spelen in Beijing goud won. Ik spatte uit elkaar van vreugde. Ik was dankbaar dat ik hem had kunnen helpen. Zo kwam ik er achter dat het leuk is om kennis en ervaring over te dragen. Wat is er dan mooier om jeugd op weg te helpen? ”

Van den Hoogenbands rol is, zeker nu, grotendeels representatief. De EJOF steunt organisatorisch vooral op algemeen directeur Henny Smorenburg, die bij het voetbaltoernooi Euro 2000 was betrokken. „Hij heeft mij bij de hand genomen”, zegt Van den Hoogenband met gevoel voor verhoudingen. „Ik moest in mijn rol groeien en leren werken in teamverband; dat valt een individuele sporter zwaar .”

Mocht Van den Hoogenband zijn rol bij de EJOF al als opstapje voor een tweede olympische carrière hebben gezien, dan is die illusie hem recentelijk ontnomen met de kandidatuur van Camiel Eurlings als IOC-lid. Van den Hoogenbands naam gonsde rond; in polls werd hij zelfs het meest gewenste IOC-lid genoemd.

De oud-zwemmer voelde zich vereerd, maar wist al geruime tijd dat hij geen kans maakte en Eurlings naar voren zou worden geschoven. „ Nee, ik voel me allerminst gepasseerd. Ik begrijp dat velen teleurgesteld zijn, omdat Eurlings een sportachtergrond mist, maar ik denk dat hij een voortreffelijk IOC-lid zal zijn. Nederland moet binnen het IOC iemand hebben die het verschil maakt. Met zijn achtergrond als politicus en topman van KLM heb ik daar alle vertrouwen in.”