Als economie in China klapt, dan klapt die in heel Azië

Minder groei in China heeft grote gevolgen voor zijn toeleveranciers, vooral die van grond-stoffen. „De Australische economie is een tijdbom.”

China: de gigantische stofzuiger die ieder klompje Australisch steenkool en elke druppel Maleisische olie opvreet en al doende van Indonesische palmoliemagnaten miljonairs maakt. China: de te dominante noordelijke broer die met één economische beslissing de hele regio in crisis kan storten.

China is economisch belangrijk voor Zuidoost-Azië, en daarom geliefd. Maar om exact dezelfde reden zijn economen, topmannen en politici als de dood voor de miljardennatie die de afgelopen vijf jaar de wereldeconomie draaiende hield. Als China klapt, klapt heel Azië, vrezen ze.

Eind vorige maand veroorzaakte analist Albert Edwards een lichte ophef in Australië. Hij kraakte, in een opiniestuk in onder andere The Sydney Morning Herald, de Australische economie tot op het bot af. Australië is compleet afhankelijk van de Chinese grondstoffenhonger, schreef Edwards. Het is prima dat Australië de afgelopen mondiale crisisjaren een recessie ontliep door zoveel mogelijk steenkool en ijzererts op de boot naar China te verschepen, maar dan het is ook vragen om problemen in de komende jaren.

„De Australische economie is een tijdbom”, aldus bankeconoom Edwards. „Australië is niets meer dan een kredietzeepbel opgepompt door een grondstoffenhausse, veroorzaakt door een nog grotere schuldenzeepbel in China.”

Kevin Rudd, die vorige maand Julia Gillard wipte als premier van Australië, deed iets minder theatraal maar gaf in zijn eerste toespraak als premier wel ongeveer dezelfde boodschap. „Wij moeten onze economie diversifiëren, want de mijnbouwboom is voorbij. We moeten ons richten op de maakindustrie, landbouw en dienstverlening. En minder op grondstoffen”, aldus de Laborleider, die zelf vloeiend Mandarijn spreekt.

De gevolgen van de Chinese groeivertraging zijn niet voor alle opkomende landen hetzelfde, waarschuwt het Britse economisch adviesbureau Capital Economics. Veel van de maakindustrie in China is gericht op de export. Dat betekent dat import uit Azië van Chinese bedrijven die hoger in de keten zitten vaak worden doorgevoerd. Dit verklaart waarom de import vanuit Azië naar China redelijk intact is gebleven.

Met andere woorden: als een Amerikaan een iPhone blijft begeren, zal een Thaise fabriek de schroefjes blijven maken en onverminderd aan de fabrieken van Foxconn verkopen. Als China er in slaagt de Chinese consument te overtuigen nog minder te sparen en meer uit te geven, kunnen Zuidoost-Aziatische fabrieken juist profiteren.

De landen die geografisch het dichtst bij China liggen hebben volgens Capital Economics het minst te vrezen. Vietnam, Cambodja en Thailand die halffabricaten aan de Chinese elektronica-industrie leveren, zullen van een Chinese groeivertraging minder merken.

De grootste verliezers zijn grote exporteurs van grondstoffen zoals koper, ijzererts en staal. Dat waren de afgelopen jaren voor China cruciale materialen om snelwegen, spoorlijnen, winkelcentra en flatgebouwen te realiseren. Over het algemeen zijn dat landen in Latijns-Amerika, het Midden-Oosten en Afrika.

In prognoses die het Internationaal Monetair Fonds vorige week naar buiten bracht werd de groei in Latijns Amerika voor dit jaar en volgend jaar (met 3 respectievelijk 3,4 procent) méér naar beneden bijgesteld (met -0,4 en -0,5 procentpunt) dan de groeiverwachtingen voor Indonesië, Maleisië, Vietnam, de Filippijnen en Thailand. Volgens het IMF groeien die vijf landen dit jaar samen met 5,6 procent (0,3 procentpunt minder dan verwacht) en volgend jaar met 5,7 procent (0,2 procentpunt meer dan eerder verwacht). Van geen enkele andere economische regio stelde het IMF de groeiverwachting naar boven bij.

Het is duidelijk: gezien de economische ellende van de afgelopen vijf jaar is er wereldwijd grote bezorgdheid over de staat van de Chinese economie. Roland Rohde, directeur van de German Trade and Investment (GTAI), verruilde daarom begin dit jaar al China voor Indonesië. Zijn taak is Duitse bedrijven in het buitenland aan de man te brengen.

Rohde reisde veel door China en begreep er als gepromoveerd econoom soms weinig van. „Was ik weer in een miljoenenstad op een enorm maar totaal uitgestorven fabrieksterrein, terwijl er daarnaast nog drie werden aangelegd. Er is in dat land veel te veel geïnvesteerd. Dat kan men niet eindeloos mee doorgaan”, vertelt hij op zijn kantoor in Jakarta.

Rohde is niet bang hard te zijn. „China is een hype geworden”, zegt hij. Daarom is hij weggegaan. Het Duitse ministerie van Economische Zaken deed iets soortgelijks, vertelt Rohde. „Natuurlijk blijft China extreem belangrijk voor Duitsland en Duitse bedrijven. Maar een paar jaar geleden besefte men in Berlijn dat we te eenkennig werden en er te weinig voor terugkregen. De concurrentie was moordend, want iedereen wil naar China. Dus zijn de marges extreem laag geworden en er is altijd gedoe met intellectueel eigendom. Dus beseften we dat het tijd werd om ook verder te kijken. Naar bijvoorbeeld Indonesië. Het lijkt mij verstandig om niet alle eieren in een Chinees mandje te hebben.”