Column

Wilde jazzy sterrennacht plus een diva die ster is

De band van Christian Marclay reageert op een filmfragment. Foto Erik van Zuylen

North Sea Jazz 1993. Pianist Billy Childs speelde er met zijn trio. Was ik niet bij. Nu speelt hij in het Amsterdamse Bimhuis. Ben ik wel bij. Zo dichtbij als ik kan. Op de eerste rij, rechtsachter hem. Ik luister naar zijn jazz met klassieke randjes. Starry Night heet dit nummer. Een wilde sterrennacht. Mijn hoofd slaat op hol, Childs’ muziek neemt het over. Ik volg zijn handen. Verdwijnen ze uit zicht, dan zie ik ze toch, gespiegeld in de lak achter de toetsen.

Billy Childs is halverwege de vijftig nu, maar hij speelt zo aandachtig als een bezig kind. Dat trio van toen is nu een ‘All Star Quartet’. Als zoveel jazzmuzikanten beheersen ze dat aparte glimlachje als ze naar elkaars solo’s luisteren. Vol ontzag. Vol vertedering. Verliefd op talent.

Nu speelt Childs iets met romantische akkoorden en twinkelende dissonanten. In Carson’s Eyes heet het nummer, hij schreef het ter ere van de „incredibly big eyes” van zijn pasgeboren zoontje. Er rolt verbazing uit de toetsen.

Meer dan welke muziek ook is jazz luisteren plus kijken. In dat teken stond ook het concert van Christian Marclay, twee weken terug. Zijn band improviseerde muziek bij zijn collage van clips uit min of meer bekende films. Al die fragmentjes gingen over geluid, magische momenten die de muzikanten uitbuitten. Ik schreef recentelijk dat het Holland Festival geen sjoege heeft van film. Maar dit filmconcert hadden ze wel, dus maak ik nu een nederige buiging. Er was een reeks shots van op vinyl dalende grammofoonnaalden. Of er werd steeds weer aangeklopt, in The Shining, door Romy Schneider, door Alain Delon. Gene Kelly danste steeds weer, in een loop ontleend aan An American in Paris.

Marclays roem is gebaseerd op zijn filmproject The Clock: 24 uur filmclips met horloges en allerhande andere klokken die samen de tijd aanwijzen van een dag en een nacht. Maar eigenlijk is hij muzikant. Een scratcher en dat doet hij hier met film: een meisje blaast klapkauwgom op en voor het knalt loopt de film terug. Heen en weer gaat de kauwgom, Marclays band reageert. Wanneer komt de knal? De film stuurt de muziek. Of omgekeerd?

Boven de musici verschijnen nu stukjes film met harmonieorkesten. Uniformen en koper. Naast het podium opent een deur. De film komt tot leven, want daar passeert de Marching Band A.T.M. Vijfentwintig mannen en vrouwen in blauwrode uniformen met gouden tressen. Hun muziek dendert de zaal in. Het effect is enorm.

„Wij zijn het enige nog marcherende orkest van Nederland”, vertelt de tambour-maître na afloop. Ze zijn amateurs, komen uit Amsterdam-Noord en treden in heel Europa op. Soms duurt een concert drie uur, „dan ben je kapot maar het is heerlijk”. Dit hier was „ons kortste optreden ooit: 35 seconden”. Is dit nog jazz? Welja.

Ook de beroemdste film van Federico Fellini, La dolce vita uit 1960, is een jazzfilm. Het zwart-wit is scherp en nachtelijk. Het tempo ligt hoog maar valt soms stil. Er wordt improviserend verteld. Jachtig is de film, amoreel. Lyrisch ook, soms grappig. Nooit cynisch. Allemaal jazz.

En de actrice Anita Ekberg, verdwijnpunt van La dolce vita, is zij jazz? Ter gelegenheid van de opening van Fellini the Exhibition is ze in Amsterdam, te gast bij filmmuseum Eye. Ze is 82, ze zit in een rolstoel. Terwijl het publiek nog binnenstroomt, hebben ze haar al in de zaal geparkeerd. Ze voelt zich ongemakkelijk. „Who’s the star here?” gromt ze naar de eerste rij.

Fellini verzon het woord ‘paparazzo’. Dat schept verplichtingen. Ik loop naar Ekberg toe en spreek haar aan. Ik beaam dat zij hier natuurlijk de ster is. Bevestig dat excuses niet meer zullen baten. En vraag haar naar mijn lievelings-Fellinifilm: Le tentazioni del dottor Antonio. Geweldige komedie over een zedenpreker die zo geobsedeerd is door groot en blond en borsten dat hij in een koortsdroom wordt belaagd door een reusachtige vrouw: Anita.

Ook Ekberg houdt van die film. Hij was leuk om te doen, en Federico had er zo’n plezier in, zegt ze.

Welke scène is haar het liefst? Ze denkt even na. Ik verwacht dat ze de scène zal noemen waarbij ze het parapluutje van de zedenmeester uit haar decolleté vist. Maar ze zegt: „Dat ik door het gras kon rollen.”

Dat vind ik nou nog eens een jazzy antwoord.