Tim Krabbé: die bestaan niet epododen Het lichaam is altijd verbeterbaar

Degenen die tourwinnaars uit het verleden schrappen en doping controleren tot bij ijsvissen toe, begrijpen niet wat profsport is. De epododen zijn mythes.

Foto Reuters

Er is de wielerjournalistiek verweten dat die jarenlang gecollaboreerd zou hebben met de doping-zwijgplicht in het peloton. Als dat al zo was, dan is dat omgeslagen. Nu onthullen kranten dag in dag uit hetzelfde (ook renner X was een zondaar!), gaat na een grootse etappezege een halve pagina over twijfel aan die grootsheid en praat men elkaar na over dopingdoden.

Rond 1990, aldus dat verhaal, stierven in Nederland en België achttien jonge wielrenners door epogebruik. Aantallen, nationaliteiten en perioden verschillen, maar die epododen duiken overal op, in de boeken van anti-doping boegbeelden als David Walsh en Paul Kimmage, een redactioneel commentaar in deze krant, de London Review of Books, The New York Times, het dopingrapport-Sorgdrager. Algemene kennis dus.

Maar die epododen zijn er simpelweg niet.

Toen ik het USADA-rapport over de zaak-Armstrong las, schrok ik van die doden, die ook daarin door veel informanten genoemd worden. Over sommigen, zoals de Nederlanders Draaijer en Oosterbosch, had ik wel iets vaags in die richting gehoord, maar zó veel? Dat was griezelig. Dan moest ik misschien mijn houding tegenover doping, die altijd schouderophalend was geweest, herzien.

Maar op internet vond ik alleen formuleringen als ‘ik was ervan overtuigd dat hun dood door doping kwam’, en ‘een serie van plotselinge en mysterieuze sterfgevallen’. In een stuk in De Muur wuifde ik daarom de epododen weg als bangmakerij, en later ontdekte ik dat een Spaanse onderzoeker, Bernat López, dat al in 2011 tot op de bodem had uitgezocht. In een studie in het blad Sport in History getiteld The Invention of a ‘Drug of Mass Destruction’: Deconstructing the EPO myth had hij 49 gevallen van ‘plotse dood bij wielrenners in Europa tussen 1987 en 2010’ nagetrokken – bij geen van hen vond hij iets concreets over doping. De ‘serie’ sterfgevallen noemde hij „een statistisch verzinsel” en voor de sterfgevallen op zich was het verschijnsel ‘plotse dood door hartstilstand’ vaak een afdoende verklaring. López vergeleek de epododen met de evenmin bestaande massavernietigingswapens in Irak; ze zijn uitgevonden als rechtvaardiging voor de strijd.

López ging een interessante stap verder: ook dat epobloed een soort modder zou worden die het hart niet meer kan rondpompen, is zeer de vraag. Bekend zijn de verhalen over renners die ‘s nachts kikkersprongen door de hotelgangen maakten om hun epomodder stromend te houden. Die geloof ik – maar wielrenners hebben het recht om lichtgelovig te zijn, en journalisten niet. López onderzocht 35 wetenschappelijke publicaties, stelde vast dat ook die zelden bronnen noemen en concludeerde: „Epo heeft hoogstwaarschijnlijk niet de effecten die verondersteld worden in de speculaties van anti-doping sportartsen, academici en journalisten”.

Er is in de wielergeschiedenis geen enkele klinkklare dopingdode aan te wijzen. De vaak als oer-slachtoffer genoemde Knut Jensen (Olympische Spelen, 1960) stierf volgens een rapport van de Deense politie door een zonnesteek, en zelfs bij Simpson (Ventoux, 1967) kan niet gezegd worden dat amfetamine ‘de’ doodsoorzaak was – dat was een samenloop van omstandigheden waarbij ook vochtverlies, alcohol en de hitte hoorden.

Enigszins uitdagend wijst López nog op een obscuur drama uit de Ronde van Portugal van 1958. Twee Spaanse renners, Polo en Motos, stierven toen in een etappe die (net als de doodsritten van Jensen en Simpson) bij extreme hitte werd gereden – naar men aannam door zonnesteek. „Men kan erover speculeren”, aldus López, „dat als de anti-doping strijders deze gevallen kenden, ze die zouden toeschrijven aan het gebruik van amfetaminen of andere stimulerende middelen.”

Dat kan je zien als ‘lekker terugspeculeren’ – maar zeker is dat de wielerjournalistiek faalt door de mythe van de epododen te laten voortbestaan, en zich daarmee te laten gebruiken in een gevecht dat niet om het heil van de renners gaat, maar om het afdwingen van een moraal.

‘Het zijn geen champions, het zijn cheats”, roept David Walsh. Je zou haast denken dat hij zijn Hamilton (The Secret Race) niet kent, want die legt in dat boek nu juist uit dat epo het vermogen tot afzien verhoogt. Renners bedriegers noemen is respectloos en kortzichtig. Ze bevonden (en bevinden) zich in een onmogelijke situatie: bevoogd door de moraal van de amateursport beoefenen ze een vak waarin het gaat om lichamelijke prestaties, maar waarin het bevorderen van lichamelijke prestaties een indicatie is voor bedrog.

De strijd tegen dat bedrog is ongeloofwaardig. Al zijn er geen middelen bekend waarvan je beter gaat schaken, er wordt bij schaken gecontroleerd. Ook ijsvissen moet er tegenwoordig aan geloven; die sport wil naar de Olympische Spelen – de winterspelen, neem ik aan. Pijnstillers zijn niet verboden, hoe rampzalig die het lichaam ook voorbij grenzen kunnen helpen. Cannabis is weer wel taboe – de anti-doping beweging eist gehoorzaamheid aan haar inzichten over wat een juist privéleven is.

En als er betrapt wordt, dan gedragen de sportautoriteiten zich als de geschiedsherschrijvers van totalitaire regimes. Tien Tourzeges (die van Rasmussen meegerekend) zijn er de laatste veertien jaar weggeretoucheerd – terwijl het een logischer reactie op het USADA-rapport zou zijn geweest om niet Armstrong zijn Tours af te nemen, maar Landis en Contador hùn Tours terug te geven.

Als doping te definiëren èn te bestrijden was – de renners zouden niets liever willen. Wat zou het mooi zijn als al die leuke nieuwe jongens in de Tour schoon (wat dat ook moge zijn) konden blijven en niet, gedwongen door de kwaden in hun midden, al die morele en juridische ellende over zich hoefden af te roepen, nog afgezien van de hun door bangmakers aangejaagde angst om hun gezondheid. Maar het is „een illusie om te denken dat de wielersport momenteel schoon is, ook in Nederland, dan wel schoon zal blijven”, zegt ook Sorgdrager. Het lichaam is verbeterbaar – er zullen altijd nieuwe manieren komen om dat te doen. De wedloop tussen gebruikers en bestrijders zal altijd zijn als die tussen het voor- en het achterwiel van een fiets.

In de Tour van 1999 was er een ruzie tussen Christophe Bassons die nogal het heilige boontje uithing over doping, en Lance Armstrong. Het peloton, Armstrong voorop, pestte Bassons die Tour en later zijn carrière uit. Bassons, die nog koerst als amateur-mountainbiker, zei onlangs in een interview: „Sport zou niet moeten gaan om het verslaan van anderen, maar om het verbeteren van jezelf”.

De onaangename waarheid is dat van deze twee Bassons misschien de beste mens is, maar Armstrong de ware sportman. Hij verpersoonlijkte wat in de sport zo wordt toegejuicht: de wil tot winnen. Daarin ging hij zo ver dat hij niet meer bestaan mag hebben. Ik vrees dat deze weigering tot inzicht in wat profsport ìs, op den duur een kwade keus zal overlaten voor het wielrennen: ondergaan als jungle of ondergaan als politiestaat.

Tim Krabbé is schrijver.