tienertoer

De eerste keer alleen op vakantie. Filosoof Joke Hermsen bezocht op haar achttiende met een vriendin Indonesië.

1979

„Met mijn beste vriendin Peggy Suhirman maakte ik, amper achttien, in de zomer van 1979 een rondreis door Indonesië. Zij was daar geboren, en afkomstig uit een vooraanstaande familie. We hadden eindexamen gedaan, en volgens de familiegewoonten zou ze voordat ze ging studeren bij wijze van afscheid al haar familieleden bezoeken. En ik was de geluksvogel die mee mocht. Het was niet alleen mijn eerste vakantie zonder ouders, ik was ook voor het eerst op een ander continent. Een enorm avontuur.

„Peggy’s vader had de reis geregeld. We trokken twee maanden rond, per bus, trein, vliegtuig of auto met chauffeur. Dat was wat, voor een eenvoudig meisje uit Amsterdam. Ineens kwam ik terecht bij families met wel tien man personeel. Dienstmeisjes die mij kruipend op hun knieën een glas cola kwamen brengen. Ik durfde het amper aan te pakken. Een diepe schaamte voelde ik, voor het verschil in klasse en kleur.

Na de zomer zou Peggy naar de hotelschool in Lausanne gaan. Een oom van haar bezat een hotel in Jakarta, daar hebben we twee weken stage gelopen. ’s Middags aten we met alle kamermeisjes en het andere lagere personeel in een ondergrondse kantine, waar drie enorme ketels stonden, met rijst, kip en groente. Ik zat daar als enige blanke tussen alleen maar Indonesiërs. Iedereen dacht steeds dat ik verkeerd was, want het hogere personeel in dat hotel was allemaal blank en at in het chique restaurant.

„Niet alleen het verschil tussen arm en rijk, ook de ervaring van het ‘volkomen andere’ maakte grote indruk. Andere geuren, kleuren, geluiden en gewoontes. De vloeiende grens tussen rationeel en irrationeel. In Indonesië accepteert men de aanwezigheid van het onverklaarbare: de stille kracht of goena goena. Bij het Tobameer verbood de gids ons uitdrukkelijk om te gaan zwemmen. Een gestorven prinses zou jonge vrouwen naar de bodem van het meer sleuren. Ik lachte erom en dook toch het water in. Wat er precies gebeurd is, weet ik nog steeds niet, maar ik raakte met mijn been vast in een soort takkenbos, dat me naar beneden trok. Met de grootst mogelijke krachtsinspanning heb ik me los geworsteld. Mijn been bloedde hevig; de littekens zijn nooit verdwenen. De dag eindigde nog vreemder: een schilderij van het meer van Toba dat in onze slaapkamer hing, begon vlak voor we insliepen heftig van links naar rechts te zwiepen. Alle mogelijke oorzaken heb ik onderzocht: zat er een hagedis onder? Tochtte het ergens? Ik ben er nooit achter gekomen. Het enige commentaar van Peggy’s familie was: ‘Je moet ook niet spotten met de geesten’.

„Vóór die reis naar Indonesië was ik een nuchtere Hollandse meid die meende dat alleen wat we kunnen zien en meten ook echt bestaat. Daarna ben ik me ook gaan interesseren voor wat er gebeurt aan de grenzen van het waarneembare en heb ik me beziggehouden met ongrijpbare filosofische thema’s als ‘de ziel’ en ‘de innerlijke tijd’.

2013

„Het begrip ‘vakantie’ zegt me niet meer zoveel. Al vijfentwintig jaar verplaats ik mijn bestaan in de zomer een paar maanden naar een andere plek, ergens op het platteland van Zuid-Europa, waar ik het aangename van het leven daar combineer met het schrijven van een nieuw boek. Tegenwoordig is dat de Bourgogne, waar we een oude herberg hebben gekocht en opgeknapt. De afgelopen week heb ik hier een workshop over Hannah Arendt gegeven, ik heb de cursisten zojuist uitgezwaaid.”