Ruttes regeren

‘Waar het kabinet vertrouwen moet verdienen, gaan wij daarvoor ons uiterste best doen.” Met deze woorden sloot minister-president Rutte op 14 november van het afgelopen jaar het debat over de regeringsverklaring af. Het was de aanzet voor een nieuw begin: een nieuwe coalitie, een nieuw kabinet. Maar wel met dezelfde premier en dezelfde economische crisis die om een krachtdadige aanpak vroeg.

Aan die daadkracht had het juist ontbroken tijdens het eerste kabinet-Rutte, toen de minderheidscoalitie VVD-CDA het avontuur aanging met de PVV als gedoogpartner. Met deze onnodig polariserende constructie beschikte Rutte over een minimale meerderheid van 76 van de 150 Kamerzetels.

Vol overtuiging was de eerste liberale naoorlogse premier van Nederland in het najaar van 2010 aan zijn taak begonnen. „Onze optimistische boodschap aan alle Nederlanders is dat we sterker uit de crisis kunnen komen. Dát is wat ons als kabinet in de kern motiveert.” Maar anderhalf jaar later was het alweer voorbij. Zijn kabinet; de crisis niet.

Met nu wel een meerderheidskabinet – althans dat dacht hij – ging Rutte het het afgelopen najaar nogmaals proberen. Het vereiste enige flexibiliteit: er moest nu worden geregeerd met de PvdA, de partij die hij in de verkiezingscampagne fel had bestreden – maar gebrek aan flexibiliteit is dan ook iets dat Rutte niet kan worden verweten.

Dat hij bij de vorming van zijn tweede kabinet wederom té optimistisch was geweest over het politieke draagvlak, bleek al spoedig. In de Eerste Kamer beschikt de coalitie van VVD en PvdA niet over een meerderheid. Een gegeven waar hij bij de kabinetsformatie te gemakkelijk aan voorbij is gegaan.

Het gevolg is dat het kabinet haast in permanent gesprek is met de uit vele partijen bestaande en daardoor onberekenbare oppositie. Een oppositie bovendien die geen haast heeft. Zodoende blijven onzekerheid over de voortgang van ingrijpende hervormings- en bezuinigingsplannen plus een economie die maar niet wil aantrekken premier Rutte achtervolgen.

Op zijn wekelijkse persconferentie na afloop van de ministerraad, de laatste van het politieke jaar, stond vrijdag desondanks een tevreden minister-president, die volgens eigen zeggen weer enkele forse besluiten kon presenteren: een akkoord met een groot aantal maatschappelijke organisaties over de energievoorziening, nieuwe regels voor pensioenfondsen die kunnen leiden tot een flinke hervorming van het Nederlandse pensioenstelsel en een nieuwe wet op het terrein van de ruimtelijke ordening die voor fors verminderde regelgeving moet zorgen. Allemaal omdat, zoals Rutte zei, het kabinet zich eraan heeft gecommitteerd Nederland weer aan het groeien te krijgen.

Groei die zo afhankelijk is van vertrouwen. Dat vertrouwen, driekwart jaar geleden door Rutte bij zijn aantreden nog als „kernwoord” bestempeld, wil maar niet komen. Nederland is bij gebrek aan vertrouwen collectief in afwachting. In een stijl die eerder lachwekkend dan overtuigend was deed de premier in april bij de publieke omroep tijdens een interview op bestelling een oproep aan alle Nederlanders te stoppen met „somberen”.

Huizen en auto’s moesten worden aangeschaft. Op die manier zou het Centraal Planbureau met zijn negatieve vooruitzichten kunnen worden verslagen, aldus Rutte. Dan ook zou kunnen worden voorkomen dat het kabinet in 2014 nog eens vier miljard euro extra moest bezuinigen. Het Planbureau is niet verslagen. Integendeel; er wordt nu zelfs gesproken over zes miljard extra bezuinigingen.

Ondanks zijn immer opgewekte uitstraling en permanente toon van optimisme, slaagt Rutte er maar niet in de malaisesfeer te doorbreken. Natuurlijk kan en mag dit niet alleen van een premier worden verwacht en al helemaal niet van een premier die aanvoerder is van een coalitiekabinet.

Maar toch. Eenduidigheid en heldere boodschappen zouden al wel veel kunnen bijdragen aan een meer vertrouwenwekkend klimaat. Daar ontbreekt het tot nu toe aan. Als Nederlanders jarenlang – terecht – het verwijt krijgen te veel op de pof te leven, is het erg veel gevraagd om van diezelfde Nederlanders te verlangen dat zij opeens gaan uitgeven. Zeker als diezelfde premier pijnlijke maatregelen die iedereen zal voelen, in het vooruitzicht stelt.

Dit soort tegenstrijdige boodschappen van een premier gaan ten koste van de geloofwaardigheid en daarmee van het zo gewenste vertrouwen. Premier zijn van alle Nederlanders is iets anders dan met alle winden meedraaien.